Posts tonen met het label vrijwillige brandweer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrijwillige brandweer. Alle posts tonen

woensdag 11 december 2013

Bakken aan de bar

Bron: www.collectiegelderland.nl
Reeds vanaf mijn jongste jeugd ben ik een regelmatige en enthousiaste bezoeker geweest van diverse Harderwijkse horeca-gelegenheden.

Al in het begin van de jaren '50 nam mijn oma mijn broer en mij, aan het eind van een bezoek aan de stad, geregeld mee naar café-restaurant Baron op de Markt. Daar dronk oma een kopje thee en wij kregen dan een glaasje ranja of een ijsje.
Baron lag heel gunstig; de bus stopte er voor de deur en de taxi-onderneming van Van Dullemen was aan de overkant op de markt. Dus na ons bezoek konden we zo instappen (zie ook Met oma naar de stad 1-5-2013).

Later kochten we onze ijsjes en soms ook een patatje bij Klein Taria, de snackbar van Foppen in de Hondegatstraat 3-5. Het goedkoopste ijsje kostte toen 10 cent zonder en 15 of 20 cent met slagroom.

Schilder's nieuws-en advertentieblad, 08-05-1953
De Harderwijker, 15-05-1936








Foppen was eerst, vanaf de jaren '30, vooral ijsfabrikant en -verkoper; hij had blijkbaar, gezien de advertentie in het Schildertje, ook enige ijsventers in dienst.


Ik ben nooit in de Toerist geweest,
maar het was wel een voorbeeld voor Foppen
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 04-06-1954

In september 1940 werd door de heer Kienhuis de eerste cafetaria in Harderwijk geopend naar voorbeeld van grootstedelijke cafetaria's als Heck's en Ruteck's.
Dat was De Toerist in de Bruggestraat 4, qua naam en aanpak dus duidelijk gericht op de (verwachte) groei van het toerisme in Harderwijk.
In de vitrine voor het raam stonden de dagschotels ('een flink middagmaal voor f 0,45, soep 7,5 cent per kop en 15 cent per bord), allerlei slaatjes (natuurlijk huzarensla en Russisch ei), hartige hapjes ('2 baby croquetten voor 10 cent') en diverse soorten gebak en koffie, thee en chocolade 'voor 10 cent per kop'.
Tijdens WO 2 zat de heer Kienhuis 4,5 jaar in een concentratiekamp maar na de oorlog zette hij zijn zaak voort en in juni 1954 werd de Toerist omgebouwd tot snackbar en snelbuffet naar Amerikaans voorbeeld.


Foppen beheerste nog niet helemaal de spelling van zijn nieuwe snacks...
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 26-11-1954

Foppen volgde snel dit voorbeeld want in november 1954 breidde hij zijn assortiment uit met warme snacks en opende een cafetaria in de Hondegatstraat 3.

Reeds in 1959 werd de zaak uitgebreid met een lunchroom op nummer 5.
In maart 1963 deed hij de zaak over aan J. Pennarts.


Bron: www.suikerzak.nl



Met bezoekende familieleden bezochten we ook wel eens één van de restaurants aan de Boulevard, meestal Monopole, IJsselmeer of Zeezicht, voor koffie of thee met gebak.
Veel later heb ik met mijn vrouw nog menig aanminnig moment doorgebracht op het terras van Monopole, lekker etend en drinkend en uitziend op de ondergaande zon boven het IJsselmeer.

Bron: www.suikerzak.nl
Tijdens de late jaren 60 kwam ik geregeld bij het eerste Chinese restaurant van Harderwijk, Tche-Tong, zoals ik reeds heb vermeld in een eerdere  blog (Mijn militaire diensttijd 27-11-2013).

Bovendien had ik in die jaren twee stamcafé's in Harderwijk.
Dat waren de Old Besi Inn op de Vismarkt 27-29 en Club 44 in de Vijhestraat 9-I (sinds 2003 Café Maatjes).
Over die twee horecazaken gaat het vervolg van deze blog.

The Old Besi Inn

Café-restaurant The Old Besi Inn  opende haar deuren in de zomer van 1967 en was gevestigd in een oud pand, dat de status van monument had. Volgens het hiernaast staande artikel werd aan de opening eerst niet veel aandacht besteed vanwege het ministeriële bezoek voor de opening van het laatste deel van de A 28.

De opening met een beschrijving van de inrichting
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 24-08-1967
Aan de buitenkant viel de Old Besi Inn op door de geheel zwart geverfde voorgevel. De zaak was eigendom van horeca ondernemer Jan Besselsen uit Ermelo, die daar ook al een café-restaurant bezat, namelijk de Besi-Bar.

Het geheel was ingericht in oud-Veluwse sfeer met zware zolderbalken, vurenhouten wandbanken en een open haardvuur.

De kelder met oude booggewelven was onderverdeeld in vier ruimtes met elk een eigen karakter. De vier ruimtes hadden ook elk een naam: de Goot, de Heerdt, de Kelder en 't Hilt. Zo was er een ruimte waar je, heel pittoresk, zat op oude biertonnen met  kunstleren kussentjes.



Dansen op live muziek , maar geen 'ordinaire' beat !
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 08-02-1968

Vanaf de herfst van 1967 organiseerden mijn mede bestuursleden en ik de maandelijkse contactbijeenkomsten van de afdeling N-W Veluwe van de JOVD in de Old Besi Inn. Daarvoor werd dan een van de kelderruimtes voor ons gereserveerd.
Ook andere verenigingen kwamen daar in de jaren '70 bijeen, zoals de HAC (Harderwijkse Automobiel Club) en de ZAC (Zomer Avond Competitie).

Het was er altijd reuze gezellig en mijn broer Paul en ik kwamen er ook geregeld bij andere gelegenheden.
Vaak was er live muziek, bijvoorbeeld tijdens een wijnfeest op 4 oktober 1969, toen er werd gespeeld  op een gloednieuw elektrisch orgel ('ter beschikking gesteld door Firma D. Bouw') door Henk de Haan.
De ruimte was ook groot genoeg om er een dansje te kunnen maken. Daar maakte ik overigens nauwelijks gebruik van, want dansen was, en is nog steeds, niet aan mij besteed.

Bron: www.collectiegelderland.nl
In de Old Besi Inn ontstonden ook nieuwe vriendschappen, zoals met Alice Noot, die daar vlak bij woonde en ook tot de vaste bezoek(st)ers behoorde. Zij was in die tijd vooral goed bevriend met Paul maar ik kon ook goed met haar opschieten. Ze heeft ook wel eens bij mijn ouders thuis mee gegeten.
Tegenwoordig heb ik dankzij Facebook af en toe weer contact met Alice. Ik herinner mij haar als een sociaal en hartelijk mens en, op grond van wat ik op haar Facebook-pagina lees, is ze dat nog steeds.

Proefritje

Van de eerste beheerder, de heer Hulshof, herinner ik me, eerlijk gezegd, niet veel maar wel van zijn opvolgers. Dat was het echtpaar Wim (?) de Lassacquère en Jenny Donker, die vanaf het voorjaar van 1970 de scepter zwaaiden in de Old Besi Inn.
De broer van Jenny, Dick Donker, stond vaak achter de tap. Jenny en Dick kwamen van oorsprong uit Amsterdam en, tijdens de research voor deze blog, kwam ik er tot mijn grote verrassing achter dat Jenny gedurende ongeveer 6 jaar deel had uitgemaakt van het indertijd zeer bekende zangduo, De Selvera's, samen met Zus Jansen.

Jenny Donker toen op een solo single
Bron: kanaalridder.blogspot.com/2011/12/selveras.html
Schilder's nieuws-en advertentieblad,12-12-1988



















Ik las in het Schildertje, dat Jenny later weer met enige regelmaat optrad als solozangeres in de regio Harderwijk.

Dick werd al snel bevriend met mijn broer Paul. Hij bezat een oude, dof zwart gelakte bestel-Eend, die hij samen met Paul ombouwde tot kampeerautootje. Dankzij de naar voren te klappen voorstoelen kon er een slaapplekje worden gecreëerd voor twee.
Toen de ombouw gereed was gingen ze een proefritje maken. Het was de bedoeling dat ze slechts een paar dagen weg zouden blijven maar toen ze na vijf dagen nog steeds niet terug waren werden zowel mijn ouders en ik als de zwager en zus van Dick behoorlijk ongerust. Groot waren onze verbazing en opluchting toen ze na een week belden dat ze met de Eend aan de Franse Rivièra stonden en dat alles goed was. Het proefritje was een beetje uitgelopen en uiteindelijk bleven ze ongeveer twee weken weg in plaats van twee dagen.
Paul heeft ook nog een keer een nieuwe menukaart voor de Old Besi Inn ontworpen.

Het vervolg

De eerste helft van de jaren '70 bleven Paul en ik, ook nadat we zelf niet langer in Harderwijk woonden en vaak in het gezelschap van vrienden of vriendinnen, de Old Besi Inn bezoeken. Zo gingen we er enkele malen in de nacht van Oud en Nieuw feest vieren. Onze ouders waren wel in Harderwijk blijven wonen en wij kwamen er daarom ook nog geregeld.
In 1972 kwam ik Dick Donker op een andere locatie tegen; hij was inmiddels de beheerder van Café Weber in de Amsterdamse Marnixstraat, schuin tegenover het Nieuwe De La Mar theater. De Amsterdamse Stadsschouwburg was praktisch om de hoek. Bij café Weber kwamen daarom altijd veel bekende artiesten, acteurs, zangers en anderen die werkzaam waren in de wereld van het theater. Tot de vaste gasten behoorden Frans Halsema, Jenny Arean, Ramses Shaffy, Marius Monkau (waarmee ik diverse lange gesprekken voerde) en soms ook Paul van Vliet. Ik kan daar menig anekdote over vertellen....
Ik raakte goed bevriend met Dick en kwam tot eind 1976 geregeld in café Weber en ook wel bij hem thuis.

Club 44

Club 44 werd geopend in 1968. Dit café was gevestigd in de Vijhestraat, naast het kantongerecht, en leek in bijna niets op de Old Besi Inn. Het was een voor die tijd tamelijk chique en hypermoderne zaak, die geheel naar de smaak van de late jaren 60 was ingericht in vooral oranje, rode en bruine tinten met gebruikmaking van veel (namaak-) houtfineer, velours en skai, een soort kunstleer. De sfeer die dit café ademde zou in deze tijd misschien nog het best kunnen worden vergeleken met een lounge-bar. Club Fourty Four afficheerde zich als 'de meest exclusieve bar van de Noord-West Veluwe'.

De stijlvolle voorgevel en het 'ultra moderne' interieur van Club 44
Bron: Facebookpagina Herinner je je Harderwijk,  Foto van Monique Maatjes

De zaak was (tot 1979) eigendom van het echtpaar Ben en Ans Assink en werd later overgenomen door Koop en Janny Maatjes
De Assinks kwamen van oorsprong uit Twente en dat was ook wel te horen aan het accent waarmee Ans sprak. Ben daarentegen had zich een ander accent eigen gemaakt en sprak met een duidelijk Amsterdamse tongval. Hij had al eerder zijn sporen verdiend in de Harderwijkse horeca want hij was 8 jaar lang de uitbater geweest van De Boterlap op de Markt. Hij kwam uit een echt horeca geslacht want hij was al de vijfde generatie die in die bedrijfstak werkzaam was.

Schilder's nieuws-en advertentieblad 22-08-1968 
De klanten van Club 44 waren gemiddeld een stuk ouder dan die van de Old Besi Inn. Er heerste vooral een sfeer die uitnodigde tot diepgaande, en na een aantal glaasjes iets minder diepgaande, gesprekken.

Die gesprekken werden begeleid door de rustige, altijd live ten gehore gebrachte, pianomuziek van Frans Wolfs. De ovale bar telde 40 krukken en was daarmee de grootste van heel Gelderland.

Ik kwam er vanaf begin 1969 enkele malen per week, vaak samen met filiaalchef Schwering van de Gelderse Auto Service en mijn collega verkoper Eric Schilderman (zie mijn blog Van smeerkuil naar showroom 4-12-2013). Daarnaast kwam ik er ook wel alleen.

Van de gasten die ik er ontmoette staat vooral Harrie Härtz mij bij. Hij was indertijd de eigenaar van de manufacturenzaak "Het wonder van de Veluwe" in de Luttekepoortstraat.
Een groot deel van zijn familie was tijdens de bezetting door de Duitsers vermoord. Hun namen staan op de gedenksteen op de gevel van de oude synagoge in de Jodenkerksteeg.
Met Harrie heb ik in Club 44 vele diepgaande gesprekken gevoerd over de meest uiteenlopende onderwerpen. Tijdens de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 zei hij een keer tegen me:
"Ik stem altijd op de RUZ-partij".
"Daar heb ik nog nooit van gehoord; wat is dat voor partij?", antwoordde ik.
"De Redt U Zelf-partij",  was het antwoord van Harrie...

Bijzondere gasten

Tot de bezoekers van Club 44 behoorden ook de (voormalige) burgemeester van Harderwijk, de heer Numan, Leen Pfrommer, de coach van het Nederlandse schaatsteam en zoon van slager Pfrommer, Aalt de Vroom van het gelijknamige Harderwijkse aannemingsbedrijf en vele andere vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en van de politiek.

Schilder's nieuws-en advertentieblad 25-03-1974
Tot die laatste groep behoorden opmerkelijk veel VVD-ers, want eigenaar Ben Assink was lid van deze partij. De VVD hield daarom in Club 44 ook wel uitslagenbijeenkomsten tijdens verkiezingsavonden.

Willem J. Roelofsen (1921-1989)
Bron: www.oktober44.nl
Daarnaast kwamen er, zoals in elke horecagelegenheid het geval is, zo nu en dan vreemde vogels.
Één daarvan was Willem "de Kiep", zoals hij werd genoemd. Die bijnaam was een verbastering of "verveluwsing" van kip en verwees naar zijn vroegere beroep van eierhandelaar. Zijn echte achternaam was Roelofsen.
Hij behoorde tot de weinige overlevenden van het oorlogsdrama van Putten (hij overleefde Kamp Amersfoort en Kamp Neuengamme).
Na de oorlog had hij een enorme onderneming opgebouwd in de handel in schroot. Zo had hij, naar eigen zeggen, een contract met de Amerikanen voor de opkoop, afvoer en verkoop van allerlei niet langer bruikbaar wapentuig uit Vietnam, waaronder ook grote aantallen helikopters.
Hij had eens tientallen, door het Amerikaanse leger afgedankte trucks, in afwachting van een koper en wegens ruimtegebrek elders, geparkeerd in de bermen van de straten van het Lorentz industrieterrein. Ook langs de Weisteeg stonden trucks van Willem. Toen ze daar na ongeveer een maand nog steeds stonden sommeerde de politie hem ze te verplaatsen. Hij heeft deze opdracht toen zeer letterlijk opgevolgd door alle trucks enkele meters te (laten) verrijden. Enige tijd later waren ze pas daadwerkelijk weg.
Willem reed in een Mercedes 600, indertijd de Duitse tegenhanger van Rolls Royce. Overdag werd hij daarin rondgereden door een vrouwelijke chauffeur in uniform die bij hem in dienst was. Maar 's avonds hoefde zij niet te werken en dat was jammer voor hem want Willem keek geregeld (veel) te diep in het glaasje en wist dan niet meer hoe hij met die enorme auto thuis moest komen. Dat werd dan dus een taxi. Wat ik toen niet wist was, dat zijn overmatige drankgebruik wellicht mede te verklaren was, doordat zijn vrouw een jaar daarvoor (in 1968) op 59-jarige leeftijd was overleden.

Naar de maan..., of niet

Op de avond van 25 juli 1969, een dag na de eerste landing van mensen op de maan (Apollo 11), zat ik in Club 44 met andere aanwezigen over dit grote wereldnieuws te praten. Ik zei onder meer dat ik vreselijk jaloers was op Neil Armstrong en dat ik er heel wat voor over zou hebben gehad om in zijn schoenen te staan. Dat ging veel andere aanwezigen toch wel wat te ver, die Apollo-avonturiers moesten toch ook nog maar heelhuids terugkomen, maar ze waren het er over eens dat hier toch wel iets unieks was gebeurd.

Plotseling nam een bezoeker, die daar kennelijk voor het eerst was en die verder door niemand werd herkend, het woord: "Hou nou toch op mensen, die landing heeft helemaal niet plaatsgevonden. God zou dat nooit toestaan." Het was even stil en toen brak er een verhitte discussie uit, waarbij de vreemdeling uiteindelijk het onderspit delfde en teleurgesteld het pand verliet.

Nieuwjaarswens voor 1970
Schilder's nieuws-en advertentieblad 29-12-1969
Er zijn in de jaren daarna heel wat complot theorieën ontstaan over die eerste landing op de maan. Die complotten kregen een nieuwe impuls na de verschijning van de Amerikaanse film Capricorn One, in 1978. Daarin werd een bemande reis naar Mars geënsceneerd. Na afloop van de opnames poogden de Amerikaanse geheime diensten, volgens het script, de namaak- astronauten  te vermoorden opdat ze niet uit de school zouden klappen dat de reis in werkelijkheid helemaal niet had plaatsgevonden.
Als ik over dergelijke theoriën las of hoorde dacht ik nog wel eens terug aan die avond en ik betrapte mezelf er een keer op dat ik dacht: "Het zal toch niet...."

De brand van "De Hoop"

Op de avond van 28 maart 1969 zat ik nietsvermoedend te keuvelen met enkele andere bezoekers toen plotseling iemand naar binnen kwam rennen en riep: "De molen staat in brand!!"

Schilder's nieuws-en advertentieblad, 31-03-1969
We wisten niet hoe snel we buiten moesten komen en renden allemaal in de richting van de Boulevard. En daar zagen we de enorm spectaculaire aanblik die een brandende molen biedt; de rieten kap stond in lichter laaien. Het verhaal gaat dat van een brandende molen op een zeker moment de wieken gaan draaien maar dat was hier niet het geval.

De eigenaar van voormalig korenmolen "De Hoop", de heer E. den Herder, had deze jaren daarvoor laten verbouwen tot café-restaurant en had toen, voor de veiligheid van de bezoekers, de wieken met behulp van stalen kettingen laten vastzetten. De molen stond naast hotel-café-restaurant IJsselmeer, dat ook van de heer Den Herder was.


Hierin wordt brandweercommandant de Groot, ook genoemd
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 31-03-1969



Toen ik dichterbij kwam ontdekte ik tussen de aanwezige brandweerlieden al snel de vader van mijn vriend Jan de Groot.

Jan's vader was in die tijd commandant van de Harderwijkse vrijwillige brandweer (zie mijn eerdere blog Jan de Groot en ik 28-10-2013) en hij was te herkennen aan zijn zilverkleurige helm.

Toen hij mij zag riep hij: "Peter, kijk nou toch eens, het is verschrikkelijk maar het is wel de brand van mijn leven!"

Daarmee verwoordde hij precies wat ik toen voelde: "Wat een fascinerend gezicht maar ook wat een verlies voor Harderwijk".





Schilder's nieuws-en advertentieblad,19-01-1970
Dat was het gevoel van vele mensen want kort daarna werd reeds gesproken over de herbouw van de molen. Maar de daadwerkelijke herbouw heeft nog lang geduurd en had nog veel voeten in de aarde...

Van de molen was na de brand niet veel meer over maar er is inmiddels gelukkig een replica van "De Hoop" gebouwd. Die staat nu echter aan de haven en niet meer op zijn voor mij zo vertrouwde plek...

Schilder's nieuws-en advertentieblad, 02-04-1970









Ook in Club 44 ben ik nog wel eens terug geweest na mijn vertrek uit Harderwijk maar minder vaak dan in de Old Besi Inn.

Ik bewaar aan beide gelegenheden en vooral aan degenen die ik er ontmoette over het algemeen warme herinneringen...


Zo herinner ik mij molen "De Hoop", met links ernaast Hotel "IJsselmeer" en rechts de kraampjes met gerookte paling  
Bron: www.collectiegelderland.nl Coll. Stadsmuseum Harderwijk


maandag 28 oktober 2013

Jan de Groot en ik

Van alle vrienden die ik tijdens mijn HBS periode heb gehad, was Jan de Groot degene met wie ik het meest optrok. Jan en ik hebben veel samen meegemaakt, ondanks het feit dat we alleen de eerste twee schooljaren op de middelbare school bij elkaar in de klas zaten. We zijn echter ook daarna intensief met elkaar opgetrokken en ik bewaar aan die tijd uitstekende herinneringen. Het lijkt mij daarom gepast over Jan een aparte blog te schrijven.
NB Op sommige afbeeldingen kan worden geklikt om ze te "ver-groot-en"


Het gezin De Groot


Jan 13 jaar oud
Jan was de oudste van een gezin, dat, toen ik hem leerde kennen, al vijf kinderen telde.
Daar kwam enige tijd later nog een tweeling bij. Ze woonden aanvankelijk in de Tinnegieter en later in de Wittenhagen. Het waren hartelijke en aardige mensen maar het was wel een groot en druk gezin, dus Jan ontvluchtte de drukte vaak en kwam dan bij ons thuis studeren. Hij kon zich in de rustige omgeving bij ons thuis, naar eigen zeggen, beter concentreren.


De vader van Jan had, net als de mijne, bouwkunde gestudeerd aan de HTS (Hogere Technische School). De vader van Jan in Utrecht, die van mij in Amsterdam. Ze waren door die studie bevoegd om de titel Ing. te voeren, net een trapje lager dan de universitaire titel Ir. De titel Ing. stond voor register ingenieur.
Onze beide vaders waren in overheidsdienst. Jan´s vader was van 1955 tot 1970 adjunct directeur en van 1970 tot 1984 directeur bij de Harderwijkse Dienst Gemeentewerken en de mijne werkte bij de Dienst der Genie van het Ministerie van Defensie.

De Harderwijkse binnenstad

Tot het einde van de jaren zestig was een groot deel van de Harderwijkse binnenstad er slecht aan toe. Er was in de eerste periode na de oorlog geen geld beschikbaar voor het merendeel van de noodzakelijke vernieuwingen en verbeteringen. De Vischmarkt en de omgeving daarvan was erg verwaarloosd en wat verkrot en bestond in die tijd voor een groot deel uit bouwvallige huizen en bedrijfjes. Zo was er op de Vischmarkt een bedrijfje waar anti-roest behandelingen van auto's werden uitgevoerd volgens de Zweedse Dinitrol-methode. Dat gaf een enorm smerige bende en het stonk in de omgeving van dat zaakje vreselijk.

Je kunt je nu niet meer voorstellen dat daar minder dan een halve eeuw geleden dit soort activiteiten plaatsvonden. De Vischmarkt behoort naar mijn mening inmiddels tot de meest sfeervolle pleinen van ons land met zijn schitterende oude huizen en zowaar twee restaurants met een Michelin-ster.
In de eerste helft van de jaren zestig begon er, langzaam maar zeker, meer budget vrij te komen om de zaken grondig aan te pakken. In veel gemeenten betekende dat heel veel slopen en daarna, op de vrijgekomen plekken, nieuwbouw neerzetten in het kader van de vooruitgang. Veel stads- en dorpscentra verloren door deze aanpak hun oorspronkelijke karakter en lijken sindsdien als twee druppels water op elkaar. Deze plaatsen hebben letterlijk hun hart verloren in die jaren.

Schilder's Nieuws en advertentieblad 23-02-1970
Zo niet het oude centrum van Harderwijk; dankzij de visie van directeur C. F. W. Rietveld, tot 1970 de directe chef van Jan's vader werd er in de Harderwijkse binnenstad slechts sporadisch gesloopt en vooral heel veel gerestaureerd. De visie van de heer Rietveld werd ingegeven door diens grote belangstelling voor de geschiedenis van oude stadscentra in het algemeen en dat van Harderwijk in het bijzondere.

De heren Rietveld en De Groot vormden vele jaren een hecht team en de vader van Jan zette na de pensionering van de heer Rietveld, diens beleid voort. De oude binnenstad werd door deze aanpak gerestaureerd met een zo groot mogelijk behoud van het authentieke karakter. Met de toenemende verkeersdrukte werden ook de wegen en de parkeermogelijkheden aangepast.

Je moet er nu niet meer aan denken dat de bussen van de VAD en allerlei ander gemotoriseerd verkeer door de Donkerstraat zou rijden, zoals in de jaren vijftig en zestig nog het geval was.

Ook bij het ontwikkelen en uitvoeren van de na-oorlogse nieuwbouwwijken, uitbreidingsplannen en nieuwe wegenstructuur heeft het duo De Groot-Rietveld een hoofdrol gespeeld. Harderwijk groeide en er kwamen steeds meer mensen wonen, die afkomstig waren uit andere delen van het land. Veel autochtone "Harderwiekers" voelden zich niet altijd even gemakkelijk bij alle veranderingen die de nieuwkomers met zich meebrachten. Ik had bij de komst van al die nieuwbouwwijken ook een dubbel gevoel; het was nodig en nuttig maar het ging wel ten koste van schitterend agrarisch gebied met wuivend graan en met grazende koeien.
Bij zijn afscheid in 1984 sprak Jan's vader terecht de woorden: "Iets afbreken is gemakkelijker dan iets opbouwen". 

 Schilder's Nieuws en advertentieblad 21-12-1981
Mijnheer De Groot bekleedde tussen 1964 en 1981 nog een tweede functie,  commandant van de vrijwillige Harderwijkse brandweer.

Als de brandweer buiten kantoortijden moest uitrukken ging er in huize De Groot een luid alarm af dat hoorde bij een speciaal telefoontoestel. Er volgde dan een gesprek van slechts enkele seconden en dan kwamen Jan´s ouders in actie.

De rol van Jan´s moeder was daarbij om te helpen bij het aanreiken van de nodige uitrustingsstukken, die de brandweer commandant moest dragen.

Eenmaal in het pak gehesen vertrok Jan´s vader vervolgens met grote haast naar de plek des onheils.







Fietsen en brommen

Over onze gezamenlijke luchtdoop, onze eerste vakantiebaan en onze fietsvakantie, samen met Gerrit Hagen en Jan Molenkamp heb ik het in eerdere blogs al gehad. Maar er is veel meer dat het vermelden waard is. Zo fietsten we heel vaak tweemaal per dag samen heen en weer naar en van school. Tijdens die fietstochtjes bespraken we dan het wel en wee van tieners in de jaren zestig. Niet zelden passeerden daarbij ook de meisjes van onze school de revue. En soms ook wel de politiek of onze plannen voor de toekomst.
Vaak ging Jan dan na schooltijd met mij mee naar huis om daar te leren en leuke dingen te doen. Tot die "leuke dingen" behoorde onder meer de gewoonte van Jan om af en toe in een van de vele bomen die om ons huis stonden te klimmen en zich dan onder het uitroepen van een kreet zogenaamd te laten vallen. Hij bungelde daarna met een hand aan een tak op ettelijke meters hoogte. Ik had toen al flink last van hoogtevrees en vond een dergelijke handelwijze getuigen van ware doodsverachting.

Na de fietsen kwamen de brommers die we, kort na onze zestiende verjaardag, voor een prikkie tweede- of derdehands hadden aangeschaft. De mijne was een Berini M21 zonder versnelling uit 1957 (klik hier door naar een website met de geschiedenis van de Berini) en Jan had als ik het me goed herinner een Batavus met twee versnellingen die ook de tweede helft van de jaren vijftig dateerde.

Ook mijn broer Paul had een brommer.
Hier zit hij op zijn Tomos, een goedkopere versie van de Puch.
coll. P.Offerman
Het onderhoud deden we zelf, dat wil zeggen dat Jan, vaak samen met mijn broer Paul, onze beide brommers onderhield want Paul had twee rechterhanden en ik de twee linker van de familie. Voor het halen van voordelige onderdelen had Jan "een mannetje" op het Harderwijkse woonwagenkamp, waarmee hij dan vaak ook nog een tijd onderhandelde teneinde de prijs nog wat te laten zakken. En verder mengden we, volstrekt illegaal natuurlijk, de tweetakt benzine met goedkope petroleum, die onze moeders gebruikten voor huishoudelijke doeleinden. Weliswaar was het starten dan een hele toer en kwam er enorm veel rook en een verdachte geur uit de uitlaat maar het scheelde wel weer in de kosten... Gelukkig zijn we nooit betrapt want dan was onze besparing waarschijnlijk volledig tenietgedaan. Wel vroeg mijn moeder zich regelmatig af hoe het toch mogelijk was dat de petroleum nu al weer op was...

Voordat Paul zijn Tomos kocht, had hij een oude NSU
Schilder's Nieuws en advertentieblad 22-02-1968
Toen het achterwiellager van mijn Berini het had begeven, heeft Jan een, uiterst kundig gemaakt, vervangingsexemplaar gefabriceerd van karton dat tot onze verbazing maanden lang heeft standgehouden.
De Batavus van Jan wilde op een regenachtige dag om een onverklaarbare reden niet starten. Zijn moeder was niet thuis dus om droog te kunnen werken had Jan zijn brommer in de keuken gezet, die aan de achtertuin van hun huis grensde. Allereerst wilde hij controleren of er nog wel benzine in de tank zat maar toen hij de dop opende zag hij niets. Om beter te kunnen zien stak hij een lucifer aan en hield die bij de tankopening. Een explosie en een steekvlam waren het gevolg. Jan smeet de brommer onmiddellijk de tuin in en bleef verbouwereerd achter met een weggeschroeide wenkbrauw in een keuken met een zwarte roetvlek op het plafond. Toen zijn moeder thuis kwam en, wijzend op de a-symmetrische wenkbrauwen van Jan, vroeg wat er was gebeurd, was zijn droge antwoord: "Ik ben wat uitgeschoten met scheren".

Chemische reacties

Ik had op mijn verjaardag of met Sinterklaas een keer een scheikundedoos gehad. De mogelijkheden om zelf scheikundige proeven te doen grepen we in de daaropvolgende maanden met beide handen aan. Jan had van een oom van hem, die tandarts was, twee enigszins versleten witte doktersjassen gekregen en mijn slaapkamer was al spoedig een soort laboratorium geworden. Aangezien de stoffen die bij de doos hoorden alleen onschadelijke proeven mogelijk maakten en we toch wel wat meer spanning in onze experimenten wilden, schaften we bij apotheek en drogist diverse extra ingrediënten aan.
Daarmee gingen we een aantal vrije woensdagmiddagen aan de slag. Mijn moeder maakte zich soms ernstig zorgen om ons welbevinden want er klonk wel eens een lichte explosie en er sijpelde soms vreemd gekleurde en zeer onwelriekende rook onder de drempel van mijn slaapkamer door, de gang in. Ook raakte het plafond van mijn kamer een keer beschadigd maar een kniesoor die daar op lette want het was tenslotte allemaal in het belang van de wetenschap. In diezelfde kamer sliep ik dan s'nachts weer maar niet nadat de ramen een aantal uren hadden opengestaan. En een enkele keer hing er in ons hele huis urenlang een verdachte chemische geur.

Zweefvliegtuigjes

Schilder's Nieuws en advertentieblad 17-04-1964
In diezelfde periode bouwden we ook model-zweefvliegtuigjes van ultralicht balsahout. De vleugels waren bespannen met zijdepapier dat met behulp van stoom werd strakgetrokken en daarna nog een behandeling kreeg met zogeheten spanlak. Dit was nodig om het vleugelprofiel gedurende langere tijd in stand te houden. De modellen hadden een spanwijdte van ongeveer een meter, misschien iets meer. We trokken ze op met een nylondraad die op een katrol zat. De een hield het vliegtuigje daarbij zoveel mogelijk met de neus op de wind en de ander rolde de draad een meter of vijftien af. Op afroep begon degene met de katrol te rennen en liet de ander het vliegtuigje los. Zo werd het vliegtuigje "opgelierd". Als het recht boven de loper hing gaf deze een ruk aan de katrol waardoor een ring, waarmee het vliegtuigje aan de draad was bevestigd losliet en naar beneden viel. Het richtingroer van het vliegtuigje was zo ingesteld dat het rondjes draaiend een tijdje bleef vliegen en bij een succesvolle vlucht zelfs eerst nog hoogte won, dankzij de opstijgende warme luchtkolom.
De bouwdozen voor de modelvliegtuigjes en de bijbehorende zaken kochten we bij Leo Schmidt op het Harderwijkse Kerkplein. Het vliegen deden we alleen bij mooi, zonnig weer en meestal in de Hulshorster zandverstuivingen. Daar had je de meeste kans op thermiek. We zijn toen ook een keer een vliegtuigje kwijtgeraakt. Er was zo veel thermiek dat het steeds hoger steeg en steeds wijdere bochten ging draaien. Op een zeker moment werd het vliegtuigje klaarblijkelijk meegevoerd door een luchtstroom die het uiteindelijk aan de horizon deed verdwijnen, in de richting van het IJsselmeer...

Uitstapjes

Jan 14 jaar oud
Op woensdagmiddag gingen we ook wel eens op bezoek bij onze geschiedenisleraar, Van Lambalgen en zijn vrouw. We dronken daar dan thee of frisdrank en spraken met ze over van alles en nog wat. Mijnheer Van Lambalgen was een van de jongste leraren van onze school; ik denk dat hij een jaar of tien ouder was dan wij. Het echtpaar woonde aan het Ermelose deel van de Leuvenumseweg. Een bezoekje aan hen was altijd heel gezellig.

We gingen ook wel eens op bezoek bij Jan's grootouders in Utrecht. Zijn opa had, als ik het mij goed herinner, evenals mijn opa bij de NS gewerkt. Of we gingen op bezoek bij mijn familie in Amersfoort of in Amsterdam. In Utrecht en Amsterdam gingen we soms ook naar de bioscoop. Zo herinner ik me dat we samen de beroemde film "De kanonnen van Navarone" hebben gezien en ook de eerste James Bond films, zoals "Goldfinger".

De Cuba crisis

De gebeurtenissen van eind oktober 1962 zijn de geschiedenisboeken ingegaan als de Cuba-crisis. Nooit is de mensheid dichter bij de verschrikkingen van een kernoorlog, en dus totale vernietiging, geweest als in die periode. De berichtgeving over de ernst van de situatie werd van dag tot dag grimmiger. Naar later is gebleken heeft het op zaterdag 27 oktober van dat jaar maar een haartje gescheeld of het "doomsday scenario" was werkelijkheid geworden. Ik herinner me dat ik een of twee dagen daarvoor al het gevoel had dat het zomaar mis kon gaan. Toen ik tussen de middag thuis het radionieuws van 1 uur hoorde en daarna weer op de fiets naar school vertrok had ik het gevoel dat het misschien wel voor het laatst was. Ik fietste naar Jan's huis en we zijn toen zwijgend naar school gereden. We hebben het er nooit over gehad maar het zou me niet verbazen als hij hetzelfde dacht als ik: "Wellicht is het voor het eind van deze schooldag wel allemaal voorbij". Ik was pas 15 jaar oud maar ik heb nog nooit een meer beklemmend gevoel gekend dan op dat moment.

Studie en scooters

Na onze HBS tijd trokken we nog steeds geregeld samen op. Jan had inmiddels een tweedehands scooter gekocht. Eerst was dat een heel bijzondere, een Moto Guzzi; dat was eigenlijk een soort hybride tussen een motorfiets en een scooter. Zo had hij wielen die groter waren dan die van een scooter maar kleiner dan die van een motor. De Moto Guzzi had goede rijeigenschappen maar was niet erg betrouwbaar en dus ruilde Jan hem na enige tijd in tegen een Heinkel. Ik ben diverse malen bij Jan achterop de scooter naar Utrecht geweest. Dat kon zonder een helm aan te moeten schaffen want de helmplicht was toen nog niet van kracht.

In de periode tussen 1965 en 1967 hadden we ook nog een gezamenlijke vakantiebaan als pompbediende en doorsmeerder bij het Servicecenter van het Esso tankstation aan de Harderwijkse Hoofdweg. Dat was toen onderdeel van de Gelderse Auto Service, de plaatselijke Ford dealer. Als de vaste medewerkers met vakantie waren vielen Jan en ik voor ze in. En ook op drukke dagen, zoals hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en tweede paasdag sprongen we bij om de extra drukte te helpen verwerken.

Links de doorsmeerruimte en rechts het kantoortje van het Esso tankstation
 aan de Hoofdweg, eind jaren '60; de wijzende man rechts is Bart van Hove.
Coll. P.Offerman


De Esso pompen met rechts een van de vaste pompbediendes
Benzine kostte eind jaren zestig 58 cent (circa 25 eurocent) per liter
Coll. P.Offerman





































Jan was na de HBS diergeneeskunde gaan studeren in Utrecht. Ik heb de indruk dat de contacten die hij in een eerder stadium had met mijn Amsterdamse oom Henno Frederiks, die veearts was, een rol hebben gespeeld bij zijn keuze voor deze studierichting. Jan heeft me in die tijd een keer een geweldige verzameling vreemde mutanten van diverse diersoorten laten zien die in potten waren opgesteld in een soort faculteitsmuseum in Utrecht. Ik herinner me dat ik daar onder meer een kalfje heb gezien met twee koppen.
Als Jan tijdens zijn studie mijn, nogal imponerende, oom ontmoette, begon deze steevast met het stellen van ingewikkelde diergeneeskundige vragen.
Aan het eind van zo'n gesprek zei hij dan soms: "Jij komt er wel, jongeman".
"Het leek wel een zwaar tentamen", verzuchtte Jan dan later soms tegen me.

Soms kwam Jan een spelletje tafeltennis spelen bij ons thuis
Coll. P. Offerman
Na zijn studie vestigde Jan zich als dierenarts in Doesburg. Hij specialiseerde zich daar tevens als paardenarts. Zo konden in de praktijk van Jan zelfs röntgenfoto's worden gemaakt van paarden.
Inmiddels is Jan gestopt met werken. We hebben al die jaren, na onze HBS tijd, incidenteel contact met elkaar gehouden.

Ik ken Jan inmiddels al 54 jaar maar ik herinner me veel van die gebeurtenissen van een halve eeuw geleden nog als de dag van gisteren...