Posts tonen met het label wiskunde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wiskunde. Alle posts tonen

dinsdag 5 november 2013

Het einde van mijn middelbare schooltijd

De tijd die ik op het Christelijk Lyceum Harderwijk (CLH) heb doorgebracht werd gekenmerkt door ups en downs. Over leraren, medeleerlingen en schoolvrienden heb ik in vorige blogs reeds geschreven.
Mijn middelbare schooltijd viel zo ongeveer samen met het hoogtepunt van de koude oorlog tussen de Verenigde Staten en haar bondgenoten enerzijds en de Sovjet Unie met de overige Warschaupact landen anderzijds. Het was mede daardoor een tijd waarin mijn belangstelling voor de wereldpolitiek sterk toenam. Wij lazen thuis het Algemeen Handelsblad, na een fusie NRC/Handelsblad geheten, en ik besteedde in de loop van mijn HBS periode steeds meer tijd aan het spellen van de krant.
Bij nader inzien moet ik toegeven dat ik mijn prioriteiten niet altijd goed stelde want als ik uitgebreid de krant las en ook nog leuke dingen met mijn vrienden deed, bleef er te weinig tijd over om te studeren en mijn huiswerk te maken.

Verkiezingen

De politiek deed, op miniatuurschaal, ook eenmaal per jaar van zich spreken in schoolverband.
Er waren dan verkiezingen voor een nieuw bestuur van de leerlingenvereniging, Utile Dulce (UD).

Flinke opkomst voor de verkiezingstoespraken op het plein van onze school
Coll. P. Offerman

Die verkiezingen werden, net als in de grote politiek, voorafgegaan door een campagne van de diverse kandidaten voor het voorzitterschap.
Kandidaat-voorzitter en klasgenoot Jan Jaap Molemaker,
stoer uitgerust met hoge hoed en pijp...
Coll. P. Offerman
Elke kandidaat had ook een echt verkiezingsprogramma en probeerde natuurlijk zo opvallend mogelijk aan de weg te timmeren.

Meestal deden die verkiezingen me niet veel; ik was niet echt actief in verenigingsverband. Maar toen mijn klasgenoot Jan Jaap Molemaker een keer een gooi deed naar het voorzitterschap, had hij mijn volle steun. Ik weet helaas niet meer in welk jaar dat was (ik denk dat het in 1962 of 1963 was) en of hij toen inderdaad de verkiezing heeft gewonnen.

Naar Delfzijl

Schoolreisjes werden in de eerste drie klassen van het CLH in de jaren zestig niet gemaakt. Pas in de hoogste klassen werd er af en toe een uitstapje georganiseerd.
Mijn vriend Jan de Groot doorliep de school sneller dan ik. In 1964, toen hij in de vierde klas van de HBS-b zat, organiseerde zijn scheikundeleraar, Ir. De Jonge een  tweedaagse excursie naar de sodafabriek bij Delfzijl ( Ir. De Jonge overleed enkele maanden daarna).

Het was soms lastig  om de bochten te nemen
op de smalle wegen en bruggetjes in de Groningse dorpen
Coll. P. Offerman
Er waren enige tijd voor de dag van vertrek nog plaatsen over in de bus, die konden worden ingenomen door belangstellende uit andere klassen. Ik heb mij daar toen voor aangemeld.

En zo vertrokken wij op zekere dag naar het hoge noorden voor het enige schoolreisje in mijn HBS tijd.

De reis werd gemaakt met een touringcar van de Harderwijkse busonderneming Smit, die later ook het automerk Citroën in Harderwijk vertegenwoordigde.


De sodafabriek in 1964 met  rechts een binnenvaartschip
en midden een trein met bolvormige gashouders (o.i.d.)
Coll. P. Offerman


De sodafabriek in Farmsum bij Delfzijl werd in 1954 gebouwd, kwam in 1957 in productie en werd op 6 juni 1958 geopend door koningin Juliana. De opening is te zien op een oud filmpje van het Polygoon-journaal op GAVA, Gronings Audio-Visueel  Archief (ook via archieven.nl)

Het was een van de modernste en grootste fabrieken in zijn soort ter wereld. Ik vond de uitleg van het productieproces en de daaropvolgende rondleiding door de fabriek een indrukwekkende ervaring...

De sodafabriek met Ir. de Jonge op de voorgrond
Coll. P. Offerman
Deze sodafabriek was de eerste fabriek van het huidige chemiepark bij Delfzijl. In 1958 kocht de voorloper van Akzo Nobel, de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, de overige participanten uit. In 1998 werd de fabriek verkocht aan het Engelse Brummer Mond, dat weer werd overgenomen door het Indiase Tata Chemicals Europe. In 2009 werd de soda-productie in Delfzijl gestaakt en kwamen 120 mensen op straat te staan. De fabriek is daarna steeds verder in verval geraakt. In het voorjaar van 2013 werd een begin gemaakt met de sloop van de gebouwen en installaties van de sodafabriek en mijn foto's zijn dus van inmiddels echt vergane glorie.

Tijdens het schoolreisje hebben we gegeten en overnacht in de unieke drijvende jeugdherberg P.A. Koerts. Deze jeugdherberg was gevestigd op een oud zeilschip, dat in de haven van Delfzijl lag.
Pieter Albert Koerts was, zoals veel Groningers, naar Kalamazoo in Michigan, USA geëmigreerd en bouwde daar een goedlopend schildersbedrijf op. In 1953 besloot hij nog eenmaal zijn geboorteplaats te bezoeken maar voordat hij in Groningen aankwam, overleed hij plotseling in een hotel in Amsterdam.
Ter nagedachtenis aan zijn vader schonk zijn zoon een bedrag aan Delfzijl waarmee een driemast-bark werd aangekocht voor de vestiging van de lokale jeugdherberg. Het zeilschip heeft van 1956 tot 1964, dus uiteindelijk maar 9 jaar lang, dienst gedaan als jeugdherberg, totdat het te duur werd.
Het, in 1919 gebouwde, schip werd toen aan Duitsland verkocht en kreeg haar vroegere naam Seute Deern (= zoete meid) terug. 

De drijvende jeugdherberg driemast-bark P. A. Koerts in de toenmalige loodsbotenhaven van Delfzijl.
Erachter staat de vuurtoren, die in 1949 werd gebouwd (afgebroken in 1981), nadat de eerste vuurtoren uit 1888 in 1940 werd verwoest.
Foto Coll. P. Offerman

De mast en de "val-gevaarlijke" tuigage
Coll. P. Offerman
Toen wij er waren, was het duidelijk dat er sprake was van achterstallig onderhoud. Ik meen mij namelijk te herinneren dat de beheerder ons waarschuwde, dat we een deel van het dek niet moesten betreden, omdat er gevaar bestond dat delen van de tuigage naar beneden zouden vallen.
Toendertijd werd er nog niets afgezet, dat was eigen verantwoordelijkheid...

Achteraf gezien ben ik daar dus geweest in het laatste jaar, waarin het schip nog als jeugdherberg werd gebruikt.


Van Jan herinner ik me dat hij ook nog een schoolreisje van enkele dagen heeft gemaakt naar het Duitse Harzgebergte. Daar kregen de deelnemers onder meer een excursie langs het "ijzeren gordijn", de grens met de Duitse Democratische Republiek. Die excursie werd georganiseerd door de Westduitse "Bundes Grenzschutz", vertelde Jan na thuiskomst. Zoals ik hiervoor reeds heb geschreven, het waren de hoogtijdagen van de koude oorlog, met alle felgekleurde propaganda van dien, en ik kon mij toen levendig voorstellen dat zo'n tocht langs de grens met "het kwaad" een uiterst spannende aangelegenheid moest zijn.

Liever geen Duits

Ik was, naar mijn eigen mening, niet echt een ijverige leerling met uitzondering van de vakken die ik echt leuk vond. Mijn top 5 zag er als volgt uit:
Op een gedeelde eerste en tweede plaats kwamen staatsinrichting en geschiedenis. De derde plaats werd ingenomen door aardrijkskunde, de vierde door Engels en de vijfde door natuurkunde.
Aan Duits had ik een uitgesproken hekel maar ik was daarin ietwat vooringenomen want ik werd nogal beïnvloed door mijn vader, die sinds de oorlog een uitgesproken anti-Duitse instelling had. Zo vond hij het onbegrijpelijk, toen zijn beste vriend, die ternauwernood en met ernstige blijvende gezondheidsproblemen de concentratiekampen in Amersfoort, Vught en Mauthausen had overleefd, een Volkswagen aanschafte. Hij kon er overigens, als gevolg van die gezondheidsproblemen zelf niet in rijden; hij werd gereden door zijn echtgenote.
De houding van mijn vader was begrijpelijk want de Duitse bezetting was toen nog geen 20 jaar voorbij en de geestelijke wonden, die daardoor waren veroorzaakt, waren nog niet geheeld. Ik vond het toen vooral wel gemakkelijk dat mijn ouders het leren van de Duitse naamvallen en vervoegingen niet belangrijk vonden.
Over mijn blinde vlek voor de wiskundevakken heb ik in het verleden reeds meermaals geschreven.

Wisselende resultaten

Schoolfoto 1e schooljaar ca 1960
Coll. P. Offerman
De eerste klas doorliep ik, zoals het hoort en ik ging netjes over naar de tweede. Die tweede was opnieuw een jongensklas en we zaten dat jaar op de zolder van het oude gebouw. De trap naar de zolder was van hout en bij de op één-na hoogste trede stak een vervaarlijke spijker uit het hout. Op een kwade ochtend, we moesten naar het een verdieping lager liggende aardrijkskundelokaal, struikelde ik over die vermaledijde spijker en viel veertien treden naar beneden. Ik landde met mijn hoofd met een enorme dreun op een granieten vloer en bleef daar enige ogenblikken bewusteloos liggen. Dit tot grote consternatie van leraren en klasgenoten.
Toen ik weer bij mijn positieven was gekomen werd mij allereerst aangeboden om een dokter te laten opdraven maar daar voelde ik helemaal niet voor en ik ging gewoon door met het volgen van de lessen. Tegen het eind van de ochtend had mijn gezicht inmiddels alle kleuren van de regenboog en toen ik tussen de middag thuis kwam vroeg mijn moeder wat ik in hemelsnaam had uitgehaald. Ze dacht dat ik met verf had geëxperimenteerd maar toen ik haar de waren toedracht vertelde sloeg de schrik haar om het hart. Een dokter is er echter nooit aan te pas gekomen en na de lunch ging ik gewoon weer naar school. Deze "onverschrokken" houding had natuurlijk wel een positieve invloed op mijn imago; mijn klasgenoten vonden me bijzonder stoer...

In de loop van dat tweede schooljaar begonnen de wiskundeproblemen steeds hardnekkiger te worden en uiteindelijk bleef ik zitten. Ik geloof echter niet dat er enig oorzakelijk verband bestaat met die valpartij, want daar kreeg ik wel een bult van, maar geen wiskunde-knobbel helaas.....
Het volgende schooljaar zat ik voor het eerst in mijn HBS tijd in een klas, die voor een deel uit meisjes bestond (zie de klassen-foto in mijn eerdere blog). Dat leverde toch wel een heel andere, en naar mijn mening prettigere, sfeer op. Ondanks het feit dat ik me voor de overige vakken minder hoefde in te spannen bleven de wiskunde-resultaten onder de maat maar ik ging uiteindelijk wel over naar de derde. Daar herhaalde zich vervolgens het drama van de tweede klas en ik moest dus ook de derde tweemaal doen. Tegen het eind van het vijfde jaar op het CLH was ik dus nog steeds niet verder gekomen dan de derde klas. En ondanks de nodige inspanningen en bijlessen bleven de resultaten van mijn algebra- en meetkundelessen ver beneden de maat. Dat leidde tot frustraties want ik wilde heel graag een beta-leerling zijn maar ik was het toch echt níet. De stille droom om van het vliegen mijn vak te maken bleef een luchtkasteel. Het eigenaardige is dat ik dat in mijn onderbewustzijn waarschijnlijk altijd heb geweten want ik heb het er toen nooit over gehad met mijn ouders, mijn broer en mijn vrienden.

Over een andere boeg

Schoolfoto uit ca 1962-'63
Coll. P. Offerman
Het was inmiddels duidelijk dat de weg naar de HBS-b voor mij onbegaanbaar zou blijven en dat ik andere toekomst-perspectieven moest gaan zoeken. Maar op de HBS-a kant zat ik ook niet te wachten en bovendien vond ik dat mijn middelbare schooltijd wel lang genoeg had geduurd.
Ik ging dus nadenken over iets anders.

Behalve voor vliegtuigen had ik, al sinds mijn zevende, een grote belangstelling voor auto's. Ik kreeg toen, het was 1954, een autoboekje, waarvan ik de inhoud binnen de kortste keren uit mijn hoofd kende.

Er waren in Nederland in de jaren zestig twee gespecialiseerde opleidingen op autogebied. Dat waren de Auto-Technische School (ATS) in Apeldoorn met opleidingen op MTS (mbo) en HTS (hbo) niveau en het Instituut Voor de Autohandel (IVA), in later jaren Instituut Voor Autobranche en management (IVA) geheten, in Driebergen.

Het IVA was een particuliere school waar opleidingen werden verzorgd die meer aansloten bij een vooropleidingsniveau in de alfa richting. Ik had liever naar de autotechnische school gewild maar ook daar zou ik tegen mijn wiskundeproblemen oplopen en dat voelde daarom meteen ook aan als een "doodlopende weg". Maar het IVA leek me wel wat en ik besloot een brochure aan te vragen. Na lezing daarvan had ik eigenlijk mijn besluit wel genomen. Het was ook mogelijk om met een overgangsbewijs van de derde naar de vierde klas van de HBS aan de IVA opleiding te beginnen.

Mijn ouders vonden het idee om de HBS niet af te maken echter maar niets en haalden mij, na lang praten, over om dan toch maar te proberen de HBS-a te gaan volgen. En zo kwam ik in september 1964, eigenlijk tegen mijn zin, in de vierde klas. Dat werd een regelrechte ramp met ellenlange boekenlijsten, saaie vakken als boekhouden en handelsrekenen en een motivatie van niks.

Portret van een stoere dwarse puber met pijp en pet uit ca 1964-'65
Coll. P. Offerman

Mijn ouders zagen in de loop van dat jaar ook wel in dat ik mij verre van gelukkig voelde met deze situatie en zo kon ik eind juni 1965 dan toch het CLH verlaten en mij voorbereiden op mijn voortgezette opleiding aan het IVA. Wel werd besloten dat ik tijdens die opleiding thuis zou blijven wonen en dus op en neer zou gaan pendelen tussen Harderwijk en Driebergen. Daarvoor moest ik met de trein naar Amersfoort en daar overstappen op de bus, die praktisch voor de school een halte had. En voorts was ik me er wel van bewust dat de kosten van de opleiding aan het IVA een stevige financiële aderlating voor mijn ouders betekende en dat ik me, alleen daarom al, niet kon veroorloven om deze opleiding niet tot een goed einde te brengen.

Terugkijkend leek het voortijdig einde van mijn HBS opleiding niet veel goeds te voorspellen voor mijn verdere toekomst. Ik denk dat mijn ouders zich in die tijd ook vaak zorgen maakten over mijn toekomst perspectief maar ze zeiden er nooit iets over. Dat een dergelijke voorspelling niet hoeft uit te komen, bleek toen ik later een functie bekleedde op universitair werk- en denkniveau. Ik kreeg in die tijd ook heel vaak zakelijke post waarbij mijn naam spontaan werd voorafgegaan door drs., waarschijnlijk omdat mijn externe contacten daar automatisch van uitgingen. Ik moest daar dan wel om glimlachen.
Een leergierige geest, een redelijke dosis algemene ontwikkeling en een goed geheugen zijn in mijn geval gelukkig uiteindelijk belangrijker gebleken dan het bezit van het einddiploma HBS.

woensdag 23 oktober 2013

Mede-leerlingen van het CLH

Overgangslijst van het 1e naar het 2e jaar;
Het eerste jaar bestond uit de klassen 1A, t/m 1F
Schilders Nieuws-en advertentieblad 8-07-1960
Op het Lyceum kwam ik terecht in een klas die bestond uit meer dan 40 (!) jongens. Eigenlijk was dat een samenvoeging van twee eerste klassen. Volgens mij was er ook een meisjesklas en een klas met hoofdzakelijk leerlingen van buiten Harderwijk. Die samenvoeging van 2 klassen was een gevolg van het ruimtegebrek dat ontstond door de stormachtige groei van het aantal leerlingen, de zgn babyboomers die deel uitmaakten van de na-oorlogse geboortegolf.

Tijdens mijn 1e schooljaar (1959-'60) werden achter het statige hoofdgebouw houten noodlokalen gebouwd om al die extra leerlingen te kunnen opvangen tot de officiële uitbreiding gereed was. Mogelijk werden de 2 klassen toen weer apart in lokalen gezet maar dat staat mij niet meer bij. Ook een deel van de zolder werd verbouwd tot klaslokaal. Daar heb ik het tweede jaar van mijn HBS-tijd doorgebracht. Er was in die tijd vanzelfsprekend ook veel vraag naar leraren en leraressen in de meest uiteenlopende vakken om het groeiend aantal klassen les te geven.

Terugdenkend aan mijn schooltijd, vallen enkele dingen op. Afgezien van het rookgedrag van de leraren, waaraan ik in een eerdere blog al aandacht heb besteed, was er nog een belangrijke zaak, die in het oog springt.
De afkorting HBS stond voor Hogere Burger School. Een nogal elitaire naam, die zeker een halve eeuw geleden echter nog wel min of meer toepasselijk was, zeker als wordt gekeken naar de gezinnen waar de meeste leerlingen uit afkomstig waren. Het merendeel van de scholieren was inderdaad afkomstig uit de kringen van de, soms zelfbenoemde, "hogere burgerij"; dat gold overigens ook voor de leerlingen van het Gymnasium en de Middelbare Meisjes School.

Het beste werd dit enigszins elitaire karakter geïllustreerd met het volgende voorbeeld. In Harderwijk, Ermelo en Nunspeet woonden in de jaren zestig nog zeer veel beroeps-militairen. Binnen deze beroepsgroep was het aantal onderofficieren aanzienlijk groter dan het aantal officieren. Maar bij ons op school was de verhouding tussen kinderen uit officiersgezinnen versus onderofficiersgezinnen juist andersom. In mijn eerste klas zaten maar drie leerlingen wiens vader onderofficier was tegen (minimaal) tien, waarvan ik me herinner dat hun vader officier was.
Voorts zaten de zoon van de burgemeester (Gijs Numan), die van de notaris (Bernhard Companjen) en enkele kinderen van artsen en van zelfstandige ondernemers (bv den Herder, o.m. eigenaar-directeur van Strandbad Veluwestrand en speeltuin, salonbootdienst Harderwijk-Amsterdam, rondvaartbedrijf met vooral tochten langs de Zuiderzeewerken en over het IJsselmeer en natuurlijk het Dolfinarium). Ook de dochter van onze rector (Ruth Westerhuis) zat bij ons op school. Slechts een enkele leerling kwam uit een boeren- of vissersfamilie.
Het was een gegeven waar ik in die tijd niet over nadacht maar wat nu toch wel tot nadenken stemt. Het was al met al niet echt een doorsnee van de Nederlandse bevolking.

Evenals vele medeleerlingen had ook ik mijn vader overgehaald om donateur van onze leerlingenvereniging te worden voor het "gigantische bedrag" van 4 gulden per jaar.
Coll. P.Offerman

Vrienden

Deze blog zou buitengewoon saai worden als ik al mijn klasgenoten de revue zou laten passeren. Daarom heb ik besloten om er een aantal uit te lichten.
Allereerst zijn dat de drie vrienden met wie ik de gehele periode van de middelbare school optrok, ondanks het feit dat we veelal niet in dezelfde klas zaten. Die vrienden waren Jan de Groot, Gerrit Hagen en Jan Molenmaker.

Jan de Groot woonde eerst in de Tinnegieter en later in de Wittenhagen. Hij was de oudste zoon van de directeur van de dienst gemeentewerken van Harderwijk. Jan is later dierenarts geworden in Doesburg en was een gerespecteerd specialist op het gebied van paarden geneeskunde. We hebben nog steeds incidenteel contact. Ik zal aan Jan, en aan de hetgeen wij allemaal beleefden, een aparte blog wijden.

 Gerrit Hagen woonde in een van de huizen aan de linkerkant
Prentbriefkaart uit 1933: Vischpoort met Schapenhoek
Uitg. Firma A.J. Wuestman Harderwijk
http://www.collectiegelderland.nl/musea/stadsmuseum-harderwijk
Gerrit Hagen heb ik 19 jaar geleden voor het laatst gezien. Hij kwam uit een gezin dat woonde in de Schapenhoek, bij de Vischpoort. Dat waren in die tijd kleine eenvoudige huisjes; de hele Vischmarkt-buurt leek toen in vrijwel niets op de situatie van nu.
Gerrit's vader was vroeger visser geweest op de Zuiderzee en later het IJsselmeer. In de tijd dat ik hem kende was zijn vader kok bij de Oranje-Nassau kazerne. Gerrit is na de HBS in Amsterdam wis- en natuurkunde gaan studeren aan de VU maar heeft die studie voortijdig afgebroken. Daarna is hij een aantal jaren officier geweest bij de landmacht. Vervolgens is hij zich gaan specialiseren in kennis op het gebied van brandbeveiliging in de meest uitgebreide zin van het woord. Uit een artikel op internet begreep ik dat hij zich daar nog steeds mee bezig houdt. Zijn eigen bedrijf op dit gebied heeft een aantal grote organisaties en bedrijven als klant.

Jan Molenkamp woonde in de Tinnegieter en zijn vader was officier. Ik herinner me dat Jan's moeder heel vaak meedeed aan prijsvragen en het insturen van slagzinnen. En dat ze vrijwel altijd een prijs won.
Op een KLM vlucht van Amsterdam naar Los Angeles in 1993 kwam ik Jan's jongere broer, Frits Molenkamp tegen, die op die vlucht dienst deed als boordwerktuigkundige. Hij vertelde me dat Jan een min of meer zwervend bestaan had geleden en een tijd daarvoor naar Canada was geëmigreerd. Daar is hij in het begin van de jaren negentig spoorloos verdwenen. Frits vloog in die tijd geregeld naar de KLM-bestemmingen in Canada en deed dan steeds verwoede pogingen om een teken van leven van Jan te krijgen maar tot dan toe tevergeefs. Op internet heb ik ook niets gevonden over Jan. Ik weet dus niet of hij nog ooit is teruggevonden.

De volledig uit jongens bestaande CLH-klas 1D 1959-'60, waarvan velen nog in korte broek!
Bovenaan ( 4e rij )van links naar rechts: Peter Baars; Bart Leusink; Jan Pieter Bas; Jan Jaap Molenaar; Piet Zwikker; Rinze Speksnijder
Daaronder (3e rij) van links naar rechts: ? Brouwer; Everhard van Ark; Herman Duif; Ronnie Teunissen; ? van Woudenberg; Adri Bontenbal; Franklin Oliemans; Gerrit van Ede en dhr. Van Lambalgen
Daaronder ( 2e rij): ?; Jan de Vries; ?; Jan de Groot; ?; Peter Offerman; ?; Diederik Vogelpoel
Vooraan (1e rij): ?;?;?; Bernard Companjen; ?; Gert Roelofsen
Coll. P.Offerman

Overige klasgenoten

Met de meeste overige klasgenoten had ik een meer wisselend contact.
Omdat ik door het schrijven van mijn blog benieuwd was hoe het met ze was gegaan in hun verdere leven, heb ik op internet informatie gezocht en van sommigen ook gevonden. Een aantal wil ik hier noemen.

Franklin Oliemans woonde in de Tinnegieter en zijn vader was officier. Franklin heb ik een jaar of tien geleden nog teruggezien op een receptie in het Militaire Luchtvaart Museum in Soesterberg. Hij was toen generaal-majoor vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht en bevelhebber van de Nederlandse tactische luchtstrijdkrachten. Op internet las ik dat hij, na zijn pensionering actief is gebleven in bestuursfuncties bij opleidingsinstituten op luchtvaartgebied en bij de LVNL (Lucht Verkeersleiding NederLand).

Adri Bontenbal was een zoon van het hoofd van de Albert Kuyperschool, waar ik mijn laatste lagere schooljaar had doorgebracht. Daar zat hij ook bij me in de klas. Ze woonden in de Wittenhagen. Adri is later o.m. directeur geweest van de provinciale VVV's van Zeeland en Brabant.

Diederik Vogelpoel woonde in de Dennenlaan (Veldkamp) en zijn vader was officier. Het was een aardige, nogal stille jongen, die door zijn katholieke ouders was voorbestemd om priester te worden. Dat is uiteindelijk anders uitgepakt, zoals blijkt uit een indrukwekkend interview met Diederik in Trouw.

Ernst van de Wall woonde in Ermelo en zijn vader was huisarts. Bij mijn naspeuringen op internet vond ik dat Ernst internist en cardioloog is geworden; hij is als hoogleraar verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Hij is tevens voorzitter van van het hart instituut (ICIN) van de Koninklijke Nederlandse  Academie van Wetenschappen (KNAW).

Dick Wynekes woonde op de Stationslaan, bijna naast de school. Zijn vader Jan Wynekes was voor zijn veertigste al opgeklommen tot de rang van kolonel. Daar bleek, dankzij naspeuringen op internet een goede verklaring voor te zijn. Dick's moeder was Engelse, zijn vader had haar tijdens de oorlog in Engeland leren kennen.
Dick werd later eigenaar van café Flevo in Harderwijk, dat eerst in handen was van zijn schoonvader. Hij heeft het in 2006 verkocht en ik vond op internet dat daar sinds 2012 Cafe Gerritje is gevestigd. Deze bruine kroeg in de Vijhestraat 5  is volgens dit artikel in Trouw blijkbaar het oudste, nog bestaande, café van Harderwijk; het bestaat al sinds 1839.

Enne Wouda kwam uit Biddinghuizen. Tijdens een van mijn laatste schooljaren op het CLH heb ik bij hem in de klas gezeten. Het gezin Wouda was afkomstig uit Friesland. Boeren konden zich in die jaren inschrijven voor een kavel in de nieuwe IJsselmeerpolder en de vader van Enne was een van de gelukkigen. Hij had namelijk in Oostelijk-Flevoland een fonkelnieuwe boerderij en een groot stuk bouwland toegewezen gekregen.
Enne was gelukkig al 16 en hij hoefde daarom niet op de fiets op en neer omdat hij op zijn 16de verjaardag een nieuwe brommer had gekregen, naar ik meen was dat een Sparta. Ik ben een keer bij zijn ouders op bezoek geweest en was toen diep onder de indruk dat Enne met de enorme landbouwtrekker van zijn vader mocht en kon rijden alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Op internet las ik dat Enne later zelf ook boer is geworden. Volgens dit artikel heeft hij momenteel een boerderij in Biddinghuizen; voorts kon hij in 1999 zo'n 80 ha en later 300 ha grond pachten in Ságvár, een Hongaars dorp tien kilometer van het Balatonmeer. Zijn Hongaarse akkerbouwbedrijf wordt gerund door zijn Nederlandse compagnon Harm Kalfsbeek, waarmee hij in 2002 Europe Farming Agricultural Ltd. heeft gesticht.

Albert (Appie) Panhuyzen kwam uit een gezin van Indische afkomst dat woonde in de Dennenlaan. Zijn vader was majoor en commandant van de School voor Methodische Instruktie (SvMI) der Koninklijke Landmacht. Hij had daarvoor zelf een lesmethode ontwikkeld. Hij kwam medio jaren zestig tot de conclusie dat zijn aanpak binnen de krijgsmacht geen optimale resultaten opleverde. Hij nam toen ontslag en stichtte het Centraal Instituut Methodische Instructie voor het Bedrijfsleven (CIMIB BV). Binnen de kortste keren had hij vrijwel alle grote Nederlandse bedrijven als klant. Tot die klanten behoorden onder meer Philips, Unilever, Shell en KLM.

Behalve Albert zaten ook zijn broer Huib en zijn zusjes Marianne en Hillie bij ons op school. Ik kwam geregeld bij hen thuis en het viel mij op dat er altijd eten klaar stond voor de gasten, ook al kwam je op de vreemdste momenten van de dag binnen. Het was een gastvrije familie, waarbij ik mij zeer op mijn gemak voelde.

In de klas was Albert, op zijn zachtst gezegd, nogal druk. We hadden een tijdje een Engelse leraar, ik meen dat hij Blok heette, waarbij Albert aan het begin van de les vaak "preventief" uit de klas werd gehaald door een van onze conrectors.
Verslag van een muziekavond door leerlingen van het
Chr. Lyceum Nassau-Veluwe in de aula van de school
Schilder's Nieuws- en advertentieblad 31-01-1966
Ik denk nu dat die leraar absoluut niet tegen het gedrag van Albert was opgewassen en dat hij de schoolleiding had gevraagd om deze maatregel.
Ik heb in de tweede helft van de jaren zestig, na mijn middelbare schooltijd, nog samen met Albert in het bestuur gezeten van de afdeling Noord-west Veluwe van de JOVD (Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie) maar daar kom ik nog op terug in een latere blog.

Huib en Marianne zaten niet bij mij in de klas maar genoten op school wel algemeen bekendheid omdat zij samen de leiding vormden van een populair schoolbandje, The Herb Four, dat regelmatig de muzikale begeleiding verzorgde bij feestelijke gelegenheden in en buiten onze school.
Ook Hillie trad regelmatig op op klasse-avonden.

Marianne is later getrouwd met onze schoolgenoot Roy Meijnderts, die ook deel uitmaakte van de Herb Four. Hij zat niet bij me in de klas maar ik ben wel eens bij hem thuis geweest.

De vader van Roy, Ferry Meijnderts, was generaal-majoor (later luitenant-generaal en commandant van het Eerste Legerkorps). Hij liet mij een bontmuts zien met daarop een grote rode ster. Die muts had hij, naar eigen zeggen, geruild voor een pet van hemzelf met de voormalige bevelhebber van het Sovjet leger, maarschalk Voroshilov (Kliment Yefremovich Voroshilov). Het was tijdens het hoogtepunt van de koude oorlog en ik vroeg mij hardop af of zoiets niet strafbaar was. Mijnheer Meijnderts moest daar toen hartelijk om lachen...


De bijgaande klassenfoto's bevatten nog al wat hiaten. Ik zou het zeer op prijs stellen als mijn lezers enige aanvullingen kunnen geven, waardoor ik de namenlijsten wat completer kan maken.

De  nog steeds alleen uit jongens bestaande CLH- klas 2C uit 1960-'61
Bovenaan staand  (4e rij) vlnr: Frans van Kampen?; Ronnie Teunissen; Wim Visscher; ?; Rinze Speksnijder; ?
Midden staand (3e rij) vlnr: ? Steijns; Everhard van Ark; ?; dhr Nust; Herman Buijzer; Tjibbe Reitsma; Jan Molenkamp
Midden zittend (2e rij) vlnr:: ?; Franklin Oliemans; Jan de Vries; Wim (?) den Besten; Adri Bontenbal; Jan de Groot; Joop Vosselman
Onderaan (1e rij) vlnr: Peter Offerman; Piet Zwikker; Evert Schafthuizen; Dick Wynekes; René van 't Hof
Coll. P. Offerman

CLH Klas 3 D  1963-'64 waarin nu eindelijk ook redelijk wat meisjes zitten
Achter staand vlnr: Jan de Beer; Peter Offerman; ?; dhr Snel; ?; ?; Herman Stikkel; :; ?; Evert Schafthuizen (?); ?; ?; ?; Carla van der Woude
Zittend vlnr: Gertje Roelofsen (?); ?; NN Aartsen; ?; ?; ?; ?; ?; Inge van der Put; ?; ?; Ernst van der Wall (?); ?; ?; ?
Coll. P. Offerman