woensdag 1 mei 2013

Met oma naar de stad


Oma en ik, herfst 1954
Tussen mijn vijfde en mijn twaalfde jaar ging ik geregeld met mijn oma mee tijdens haar bezoekjes aan het centrum van Harderwijk. Eerst alleen, later ging ook mijn broertje Paul mee.

Zoals ik al eerder heb vermeld woonde mijn oma Geertruida Offerman-Luttenberg bij ons in huis. Zij was al tamelijk oud (73) toen ik werd geboren. Oma was klein maar dwong bij iedereen die haar kende respect af. Ze bezat een eigenaardige mix tussen bijna Victoriaanse standpunten enerzijds en verdraagzaamheid en een groot rechtvaardigheidsgevoel anderzijds.
Zij was in de periode rond 1900 een aantal jaren als gezelschapsdame in dienst bij enkele rijke adellijke families en had daar een levensstijl aan over gehouden met een hang naar ouderwetse chique. Daar hoorden, overeenkomstig de leefregels in de wereld van het oude geld, ook onberispelijke omgangsvormen bij.

In de tijd dat ik naar school ging, beperkten de bezoekjes aan de stad zich noodgedwongen tot de vrije woensdagmiddag, de zaterdagmiddag (op zaterdagmorgen gingen we in die tijd gewoon naar school) en de schoolvakanties.


Van Dullemen

Als het goed weer was gingen we met de bus van de Veluwse Autobusdienst (VAD) heen en soms ook met de bus terug. Maar we gingen vaak terug en soms ook heen met een taxi van de firma van Dullemen, die sinds 1935 was gevestigd in een garage aan de Markt. De firma van Dullemen werd in 1970 opgeheven en overgedaan aan de firma van Bochove.

Apotheek Greidanus werd in december 1935 naar de Donkerstraat verplaatst
en het pand werd  toen door van Dullemen aangekocht en ingericht als garage.
Schilders Nieuws-en advertentieblad 02-11-1935; p. 24  

Garage van Dullemen aan de Markt 9 te Harderwijk, medio jaren '60
Bron: Herinner je je Harderwijk- Facebook (eigenaar Kamphorst?)

Die taxi's waren zwarte Buicks (voor de fijnproevers: met een 8 cilinder lijnmotor, een gemiddeld verbruik van ongeveer 1 liter op 4 kilometer en een Dynaflow automatische versnellingsbak). Ik herinner me dat je in zo'n Buick vrijwel geruisloos voortgleed.

Oma wilde bij voorkeur door de heer Van Dullemen zelf worden gereden. Volgens mij beschouwde ze hem min of meer als een op afroep beschikbare particuliere chauffeur. Hij was altijd onberispelijk gekleed in een zwart uniform met pet en in de winter witte handschoenen.

Met dit soort Buicks reed van Dullemen in de jaren '50.
Een enkele keer, als oma op een andere middag naar de stad ging, belde ze van Dullemen tussen de middag op om haar te komen halen. Hij kwam dan ongeveer een kwartier voordat de middaglessen begonnen voorrijden.
Oma zei dan: "Van Dullemen, we brengen eerst de jongens naar school." Dat was natuurlijk feest voor ons: om naar school te worden gebracht in die grote glanzende Buick....


De winkels in de stad

Zoals ik mijn blog over Thuiswinkelen al heb opgemerkt werden alle dagelijkse boodschappen bij ons thuisbezorgd. Maar er waren ook dingen, waarvoor je naar de stad moest. Voor kleding en schoenen bijvoorbeeld. Die schoenen kwamen in ons geval van de firma Vedder en de kleding en bijbehorende zaken van de winkels van Pot of Poorter of van de gezusters De Lange. Onze kapper was Bruining, die, net als Vedder en Poorter, in de Donkerstraat was gevestigd. Ook kwamen we af en toe bij de firma Schaftenaar, die handelde in horloges, klokken en sieraden en die ook al in de Donkerstraat was gevestigd. En voorts, het wordt eentonig, bij de radio en elektrozaak van Scheer (de grondlegger van Scheer en Foppen), die eveneens in de belangrijkste winkelstraat van Harderwijk zat. Het was in die smalle Donkerstraat altijd een drukte van belang en je moest je op sommige momenten tegen de gevels drukken als er weer eens een bus van de VAD of een vrachtwagen door de straat kwam.
Voor jassen en jurken, door oma mantels en japonnen genoemd, en voor hoeden ging zij altijd naar een damesmodezaak in Putten, waarvan ik helaas de naam niet meer weet.

Vrij kort na de opening van zijn nieuwe pand is Hendrik Bloksma bij een
auto-ongeluk om het leven gekomen. Zijn weduwe heeft de slagerij voortgezet.
Schilders Nieuws- en advertentieblad 20-04-1951; p. 310 
Soms gingen we op de Smeepoortenbrink bij slagerij Bloksma een stukje nagelhout kopen, waar oma dol op was.

Nagelhout is aan de lucht gedroogd rundvlees, nog het meest te vergelijken met rookvlees. Het is een typisch streekproduct uit het oosten van Nederland.  De naam nagelhout verwijst naar de plank met spijkers (neagels) waaraan het vlees na het slachten werd opgehangen om te drogen, nadat het was  ingewreven met zout, soms vermengd met kruidnagel en/of nootmuskaat. Nagelhout was toentertijd een luxe broodbeleg en het werd altijd in heel dunne plakjes gesneden.

Bloksma had op dat gebied een goede reputatie. Als ik goed ben ingelicht is later op die plek het cafe Nagelhout gekomen, een wel zeer toepasselijke naam.

Verder stond ik soms een tijdje te kijken naar de activiteiten van de drukkerij in de Vijestraat of van drukkerij Mons.
Als het warm weer was stonden de deuren open en kon je de persen zien en horen draaien en de medewerkers in hun stofjassen aan het werk zien.
In de oude drukkerij in de Vijestraat is later het gelijknamige restaurant gekomen.

De vele advertenties van Bloksma waren vaak op rijm.
Schilders Nieuws- en advertentieblad 21-12-1951; p. 312












Bennie Härtz

Ik herinner me dat we op een zaterdag, ik was misschien een jaar of vijf, zes, door de Luttekepoortstraat liepen en dat ik daar een heer in een zwart pak en met een zwarte hoed op voor en winkel zag zitten, die kennelijk dicht was. Hij zat achterstevoren op een keukenstoel en keek peinzend voor zich uit.
Waarom zit die mijnheer daar", vroeg ik aan oma.
"Dat is mijnheer Härtz, de eigenaar van die winkel"
, was het antwoord.
Ik: "Maar waarom is zijn winkel dicht? "
Oma: "Dat komt omdat het voor mijnheer Härtz vandaag zondag is. Mijnheer Härtz heeft een ander geloof dan de meeste mensen hier. Hij is joods en voor de joden is de zaterdag wat voor ons de zondag is. Zij noemen de zaterdag Sabath."
Voor mij was dat voldoende. Pas later heb ik me gerealiseerd dat mijnheer Härtz wellicht zat te denken aan de verschrikkingen, die toen nog maar kort geleden aan een groot deel van zijn familie en aan een nog veel groter deel van zijn geloofsgenoten het leven hadden gekost.
De zoon van Bennie, Harry Härtz , heeft later het winkeltje in fournituren van zijn vader voortgezet. In zijn tijd had het (in mijn herinnering) piepkleine winkeltje de grootse naam "Het wonder van de Veluwe". Ik weet niet of het die naam ook al had ten tijde van zijn vader. Op Harry Härtz kom ik in een latere blog nog terug.


Smikkelen en smullen

Alvorens terug te keren naar huis gingen we vaak nog even langs bij de beroemde banketbakkerij van Huize Hulleman in de Donkerstraat en om het feest compleet te maken namen we soms een kopje thee voor oma en een glaasje ranja of grenadine rood voor mijn broertje en mij bij Cafe-Restaurant Baron aan de Markt. Baron lag daar heel strategisch, vlakbij de bushaltes van de VAD en de garage van Van Dullemen. Later namen we ook wel eens een ijsje bij Foppen in de Hondegatstraat. Het goedkoopste ijsje kostte daar toen 5 cent of als je er slagroom op wilde 10 cent.

De Markt te Harderwijk met links de bushalte van de VAD, en cafe-restaurant Baron, eind jaren '60.
Bron: Facebookpagina Herinner je je Harderwijk.


Einde aan de uitstapjes

Na eind 1954 nam het aantal bezoekjes aan de stad met oma wel af maar als we gingen nam ze altijd de taxi.

 Schilders Nieuws- en advertentieblad 30-09-1949; p. 38
Dat kwam omdat oma in december 1954 haar heup brak. Ik trof haar, thuisgekomen uit school, aan op de grond in de woonkamer. Ze kreunde van pijn. Mijn moeder was bij buurvrouw Daansen en mijn broertje was bij een vriendje. Ik rende naar de buren en mijn moeder kwam direct en belde de dokter die een gebroken heup constateerde. Opnieuw kwam van Dullemen voorrijden maar nu in zijn ambulance (hij hield zich ook bezig met ziekenvervoer) om oma naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat ziekenhuis was "Salem" in Ermelo. De behandeling van een gebroken heup was toen nog heel anders dan nu, afgezien van de pen die in de heup werd aangebracht. De patiënt moest 6 weken (!) in het ziekenhuis blijven, waarbij het geblesseerde been in een contraptie was gefixeerd met daaraan een zwaar gewicht. Volgens mij een nare situatie. Na haar herstel was oma aanzienlijk minder goed ter been en liep ze met behulp van een stok.

En vanaf ongeveer 1960 was oma's gezondheid dusdanig verslechterd dat ze eigenlijk niet meer buiten onze tuin kwam. En daarmee kwam toen ook een einde aan de uitstapjes met oma en met de taxi's van van Dullemen.

woensdag 24 april 2013

Naar de Dr. Abraham Kuyperschool

De nieuwbouwwijken groeiden als kool en daarmee ook het aantal schoolkinderen. De Dr. de Visserschool werd dan ook al snel te klein en al in 1954 werd er een houten noodlokaal bijgebouwd aan de Boerhavelaan met een grote ouderwetse potkachel om de temperatuur in de winter dragelijk te houden.

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 05-09-1958
En in de in aanbouw zijnde nieuwbouwwijk De Wittenhagen werd een nieuwe protestants-christelijke lagere school gebouwd teneinde de groei te kunnen opvangen. Voor mij betekende dat geen goed nieuws.

In het voorjaar van 1958 werd namelijk besloten, dat de kinderen die westelijk van de Deventerweg woonden op de Dr. de Visserschool konden blijven. Maar zij die aan de oostelijke kant woonden, moesten met ingang van het schooljaar 1958/59 naar de  Dr. Abraham Kuyperschool, die op 01-09-1958 werd geopend .

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 05-09-1958
Dat lot trof ook mij en ik moest dus helaas afscheid nemen van een school waaraan ik, getuige mijn vorige blog, tot op de dag van vandaag warme herinneringen koester. Hoofdonderwijzer Bol kwam het besluit dat dit zo moest gebeuren zelf toelichten tijdens een avondlijk bezoek aan mijn ouders. Hij ging persoonlijk alle ouders van kinderen, die met de nieuwe regeling te maken kregen, het "droeve nieuws" brengen.

De laatste klas van de lagere schooltijd bracht ik dus noodgedwongen door op de Kuyperschool en dat was geen onverdeeld genoegen. De school stond onder leiding van de zeer bevindelijke meester Bontenbal die zijn strenge stempel drukte op de sfeer.

Ik heb als zesde-klasser les van hem gehad en hem in dat jaar nooit zien lachen.

Zijn zoon Adri  Bontenbal zat trouwens wel op de De Visserschool en slaagde in hetzelfde jaar als ik (zie het krantenartikel in mijn vorige blog)

Een beschrijving van het exterieur van de Kuyperschool, dat nu
nog slechts zien is op enkele klassenfoto´s op Schoolbank.nl
Helaas heb ik van het inmiddels verdwenen schoolgebouw van de Kuyperschool geen afbeelding kunnen vinden op internet of in de oude kranten.

Ik vond alleen deze beschrijving van het mozaiek van spelende kinderen op de buitenmuur en het interieur van de toen gloednieuwe school in het krantenartikel over de opening in 1958.

Pikant detail -gezien mijn hieronder beschreven ervaringen- was nog wel dat er vanaf 1998 plannen waren om in het inmiddels leegstaande gebouw van deze zo christelijke school een moskee te vestigen. In 1999 werd dat nogmaals geprobeerd maar nu op de plaats van het inmiddels gesloopte schoolgebouw.

De plannen zijn nooit uitgevoerd als gevolg van verzet hiertegen door de bewoners van de Wittenhagen.


De eerste invloed van politiek in mijn leven

Tot degenen die samen met mij de verhuizing naar de Kuyperschool meemaakten behoorden de al eerder vermeldde Gijs Dooyeweerd, Henk Leendertse en ook Wouter ten Broek. Wouter was na de kerstvakantie, begin 1958 bij mij in de klas gekomen. Voor de goede orde: dat was dus in het laatste jaar dat ik nog op de Dr. de Visserschool zat.

De reden van Wouters komst bij ons op school was een bijzondere. De Indonesische president Soekarno had eind 1957 de, nog in Indonesië woonachtige, Nederlanders zijn land uitgejaagd in verband met de onwil van Nederland om het bestuur over Nederlands Nieuw-Guinea over te dragen aan Indonesië. De verhoudingen waren al langer gespannen want bijna twee jaar eerder, in februari 1956 was in een een showproces, dat in Jakarta werd gehouden de doodstraf geëist tegen een Nederlander met de naam Jungschläger, zogenaamd wegens spionage voor Nederland. Toen dat nieuws bekend werd gemaakt op de radio, riep mijn puriteinse oma, die ik nog nooit in mijn leven een onvertogen woord had horen zeggen, hartgrondig: "Wat een schoften!Zij had een sterk ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid en ik had haar nog nooit zo kwaad gezien als toen. Het is in die zaak overigens nooit tot een uitspraak gekomen want reeds voordat het zover was overleed Jungschläger in april 1956 aan de gevolgen van een hersenbloeding.

Bericht over het feest van 10-jarige Infanterieschool, waarbij
een collecte werd gehouden voor de Indische Nederlanders.
Schilders Nieuws- en advertentieblad 28-02-1958
Tot de vele gezinnen die een veilig heenkomen moesten vinden behoorde ook dat van de familie ten Broek, die in De Wittenhagen neerstreken.
Wouter was in Indonesië geboren en had de eerste tijd grote moeite om zich aan te passen aan zijn nieuwe levensomstandigheden. En hij had het erg koud, midden in de Hollandse winter.

Ik heb tot aan het eind van mijn lagere schoolperiode veel met hem opgetrokken en was behoorlijk onder de indruk van de verhalen die hij mij vertelde over zijn Indonesische periode.

De gebeurtenissen die verband hielden met de Indonesische confrontatiepolitiek en de Hongaarse opstand (eind 1956) waren de eerste grote politieke kwesties die door mij, voor zover ik ze op mijn jeugdige leeftijd kon bevatten, op de voet werden gevolgd. Dat gebeurde zowel via het Algemeen Handelsblad (nu NRC), dat wij thuis lazen, als via de radio nieuwsdienst. Televisie hadden we in die tijd nog niet.

Noord-Ierse toestanden op de Veluwe

Op school moesten wij bij de behandeling van de Reformatie als onderdeel van het vak geschiedenis onder meer de "dwalingen van het katholieke geloof" leren. Dat was, voor zover ik mij herinner, al in de vijfde klas aan de orde geweest maar op de Kuyperschool kwam meester Bontenbal daar uitvoerig op terug. Iedere leerling moest de dwalingen uit zijn hoofd leren en ze kunnen opdreunen. Vandaar dat ik ze nog steeds ken.
Het waren in willekeurige volgorde: De verering van Maria en van zogenaamde heiligen, de verkoop van aflaten, het afnemen van de biecht en het verlenen van absolutie (vergeving van zonden) door een vertegenwoordiger van de kerk, alle sacramenten met uitzondering van de doop en het avondmaal, het celibaat, de onfeilbaarheid van de paus en het versieren van de kerken met beelden van heiligen en andere afbeeldingen, zoals schilderijen en muur- en plafondschilderingen. Van de "dwalingen" die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen in de katholieke kerk werd toen nog níet gerept......

Nu wil het geval dat juist in die tijd er bij ons in de buurt een gezin was komen wonen in een grote woonwagen van het wegenbouwbedrijf Bruil uit Ede. Bruil was belast met de voorbereiding en aanleg van de snelweg A28 en de vader van het betreffende gezin was bij Bruil in dienst als werkvoorbereider. Het gezin leidde door deze functie een nomadisch bestaan en verhuisde zo ongeveer ieder half jaar. Van oorsprong kwamen deze mensen uit Nijmegen en ze waren katholiek. Hun twee zoons, waarvan er een Mark heette waren van dezelfde leeftijd als mijn broer en ik. Ze gingen naar de katholieke Dominicusschool. Het leken me wel aardige kinderen maar, met al die dwalingen nog vers in mijn geheugen, toch maar eens aan meester Bontenbal gevraagd of het wel raadzaam was om toenadering te zoeken. De meester raadde dat ten zeerste af maar het zat mij op de een of andere manier toch niet lekker. Dus thuis nog maar eens gevraagd aan mijn vader. Het antwoord van mijn vader, die toen niet liet merken wat er door hem heenging, luidde: "Luister, in de meeste gevallen moet je doen wat de meester zegt maar zelfs een meester heeft niet altijd gelijk. En dit is zo'n geval dus jullie moeten gewoon met die kinderen omgaan, zoals jullie dat ook met andere kinderen doen". Zo kwam dat uiteindelijk toch nog goed en wij hebben, voor de korte tijd dat ze er woonden gezellige vriendjes aan hen gehad.


Einde van mijn lagere schooltijd

De lezers van mijn blog zullen inmiddels hebben begrepen dat ik uiteindelijk erg blij was toen mijn lagere schooltijd er in de zomer van 1959 op zat en ik me kon gaan voorbereiden op een nieuwe uitdaging: de Middelbare school.

Schilders Nieuws- en advertentieblad 15-05-1959
Eindrapportboekje van A. Kuyperschool
schooljaar 1958-'59
Coll. P. Offerman
Deze foto van de zesde klas van de A. Kuyperschool lijkt niet compleet; er mist een aantal leerlingen.
Achterin meester Bontenbal  natuurlijk.
Linkerrij van voor naar achter: Gerda Bakker (?); ?; ?;?; ?; ?; ?; ?
Middenrij van voor naar achter: Jan Foppen; Arnoud Gerritse; Aart Aartsen; ?; Barend Luiting (?); ?; Peter Offerman; Wouter ten Broek (?)
Rechterrij van voor naar achter: ?; ?; ?; ?
Coll. P. Offerman

woensdag 17 april 2013

Mijn klasgenoten op de J.Th. de Visserschool


Na de eerste gewenningsperiode op school, die maar kort duurde, kwamen de nieuwe vriendjes en vriendinnetjes en daardoor werd de school natuurlijk pas echt leuk. De meeste kinderen woonden in de Tinnegieter en in de in aanbouw zijnde wijk Veldkamp, die aan de Tinnegieter grensde. Er waren ook enkele kinderen die ik al kende uit mijn directe omgeving en kinderen van de huizen die in de omgeving van het, verderop aan de Leuvenumseweg gelegen, sanatorium Sonnevanck stonden.
En er waren ook nog een of twee kinderen, die afkomstig waren van de voormalige boerderij Beekhuizen, die midden in het bos lag. Ze zaten niet bij mij in de klas en ik herinner me ook niet hun namen. Voor de boerderij stond lange tijd een vleugeltip-tank van een vliegtuig, die daar tijdens de oorlog terecht was gekomen na te zijn afgeworpen. Er was in die boerderij geen stromend water, geen elektriciteit, geen gas en geen riolering. Het water kwam uit een put en er werd, voor zover ik mij dat herinner, gekookt en verwarmd  op hout. Als er in de winter veel sneeuw was gevallen was de boerderij soms meerdere dagen onbereikbaar en konden de kinderen, die er woonden, niet naar school. Op de plek waar Beekhuizen heeft gestaan lagen later nog stenen, die na de sloop waren achtergebleven. Als tastbare herinnering aan hetgeen inmiddels geschiedenis is geworden, hebben wij indertijd zo'n steen meegenomen en bij ons in de tuin gelegd.

Van de meeste klasgenootjes uit die eerste schoolperiode herinner ik me de namen niet meer maar degenen die ik me nog wel herinner waren vooral meisjes....

Voorjaar 1954: links staat meester Bol en bovenaan juffrouw Bakker; rechts een mij onbekende juffrouw.
Zelf zit ik vooraan, de 4e van rechts; de overige kinderen die ik met zekerheid kan identificeren op deze foto zijn:
Gert van Asselt 2e rij van onder, uiterst rechts; Gijs Dooijeweerd bovenste rij, uiterst links; Hennie van den Brink bovenste rij,  3e van linksHielke Wassenaar onderste rij, tweede van rechts en "mijn eerste geliefde" Greetje Bomhof bovenste rij, 3e van rechts.

Zo was daar Pauline van Hogendorp. Haar vader was officier en ze woonde in de Veldkamp. Later begreep ik dat de vader van Pauline een nazaat was van de beroemde Gijsbert Karel van Hogendorp, die behoorde tot het driemanschap, dat in 1813 de terugkeer van de Oranjes in Nederland voorbereidde.

Ik was ook bevriend met Annemieke van Steenbrugge, ook al een officiersdochter uit de Veldkamp. Van haar herinner ik me onder meer dat zij in de tweede of de derde klas op een middag uit de les werd gehaald omdat haar vader was omgekomen bij een ongeluk met een militaire helikopter. Dat maakte diepe indruk op me. Haar moeder is later bevriend geraakt met mijn moeder en die vriendschap is altijd blijven bestaan. (op internet zag ik dat zij en haar man nu een kasteel-gîte in Frankrijk hebben).

Voorts had je Greetje Bomhof, de dochter van de tabakswinkelier uit de Nassaulaan. Als 7 of 8 jarige werden Greetje en ik "verliefd" en we schreven elkaar briefjes die we stiekem uitwisselden op school.

Mijn klasgenoten op de de Visserschool;
zij mochten wél deze school afmaken.
Schilder's Nieuws- en advertentieblad 15-05-1959
En, niet te vergeten, Elvira Provoost, wiens vader adjudant was bij de luchtmacht. Hij had tijdens de oorlog in Engeland zijn vrouw leren kennen en Elvira sprak dus al Engels toen ze op school kwam. Mevrouw Provoost organiseerde Engelse conversatielessen voor de leden van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en mijn moeder heeft daar jarenlang aan deelgenomen.
Op een dag, ik meen mij te herinneren dat het in de vierde klas was, had de vader van Elvira haar verteld dat hij die middag laag over onze school zou vliegen in een Dakota (een transportvliegtuig uit die tijd dat in Nederland zowel door de luchtmacht als door de KLM werd gebruikt). Op een zeker moment hoorden wij het zware geronk van de motoren van het vliegtuig. Elvira sprong uit haar bank, rende naar het raam en begon enthousiast te zwaaien, terwijl ze luid "pappa!" riep. Dit "ernstige vergrijp" tegen de schooldiscipline werd door onze meester bestraft met nablijven. Ik was daar toen zo boos over, dat ik besloot uit solidariteit ook na te blijven.

Van de jongens herinner ik mij vooral Gijs Dooijeweerd (zie mijn blog 'Ons buurtje') en Gert van Asselt, de zoon van de bakker aan de Nassaulaan.

Voorts Hielke Wassenaar, die de jongste zoon was van de, voor Harderwijkse begrippen, zeer vrijzinnige Nederlands Hervormde dominee Wassenaar. Zelfs mijn vader, die een uitgesproken afkeer had van alle soorten geestelijkheid, kon goed met hem opschieten.
De familie Wassenaar woonde aan het Oranjepark, vlakbij het station. Het gezin telde drie zoons, waarvan Hielke de jongste was, en een meisje dat de jongste van het stel was. Ze kwamen van oorsprong uit Friesland en spraken dan ook met een Friese tongval. Het waren erg aardige mensen bij wie ik geregeld thuis kwam. Tijdens een verjaardagsfeestje van Hielke mochten we een boterhammetje blijven eten. Mevrouw Wassenaar had de boterhammen belegd met komijnekaas en dat was iets dat ik als kind niet lustte. Maar ik wilde me niet laten kennen en stak op een onbewaakt moment de hele boterham met beleg en al in de zak van mijn nieuwe broek. Die kant van mijn broek veranderde al snel in één grote vetvlek. De reactie van mijn moeder laat zich raden...

En verder was daar nog nog Wim Rob, de zoon van een politieagent. Later hoorde ik dat zijn vader een rol had gespeld bij de overval van de Leeuwardense strafgevangenis tijdens de Duitse bezetting.  Deze belangrijke daad van het Nederlandse verzet is indertijd verfilmd. De film De Overval was begin jaren zestig een groot succes in de Nederlandse bioscopen.
De schuilnaam van agent Rob tijdens de oorlog was Ab Boersma en hij was drager van het verzetskruis. Ik wist dat allemaal nog niet toen hij bij ons op school een keer verkeersles kwam geven. Ik herinner mij hem vooral als een bescheiden en vriendelijke man met een zachte stem, die zich als vrijwilliger onder meer inzette voor de vogelbescherming. Agent Rob is in 1990 in Harderwijk overleden en daar ook begraven. (Op internet las ik dat Wim later manager is geworden bij de NS).

Tenslotte moet ik ook Henk Leendertse nog noemen. Hij was de zoon van een vertegenwoordiger van de California soepfabriek. De ouders van Henk waren streng protestant en maakten zich, blijkens hun herhaalde opmerkingen, ernstig ongerust over het feit dat ik niet op catechisatie zat. De vader van Henk was in zijn vrije tijd organist in een Harderwijkse kerk en zijn moeder zong in een kerkkoor.
Soms mochten Henk en ik met vader Leendertse mee in de VW Kever van de zaak voor een rondje IJsselmeer. De vader van Henk bezocht dan onderweg de vele kleine kruidenierszaakjes, die ons land toen nog rijk was, en verkocht af en toe een doosje met pakjes soep, die hij bij zich had. Bij andere bezoeken verkocht hij slechts vier of vijf zakjes soep en soms ook helemaal niets. Ik kon mij toen al niet voorstellen hoe de California-fabriek kon blijven draaien van een dergelijke beperkte omzet. Tijdens de bezoeken aan de kruideniers moesten Henk en ik in de auto blijven zitten. (In 1999 werd California -voorheen FINO soepfabriek- overgenomen door Struik uit Voorthuizen).


Schoolreisjes

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 2-7-1954
Ieder jaar maakten we een schoolreisje met een bus van de voormalige Veluwse Autobus Dienst (VAD).
De eerste keer gingen we naar een pannenkoekenhuis met speeltuin in Lunteren, gelegen op een afstand van maar liefst 20 kilometer....

Verder herinner ik mij schoolreisjes naar de Bedriegertjes bij Arnhem en de Westerbouwing bij Oosterbeek en een reisje dat ons helemaal naar Schiphol voerde waar we een rondrit maakten op het platform en naar de hangars in een "toeristentreintje". Via een luidspreker in de wagentjes werd uitleg gegeven door een rondleider die naast de chauffeur zat.

Het eerste half jaar liep ik naar school maar op mijn zevende verjaardag kreeg ik mijn eerste fiets. En daarmee ging ik vanaf dat moment naar school.


Hier een schoolfoto van mij op 7 of 8 jarige leeftijd (ca1954/55), heel charmant zonder voortandjes.

Aan mijn schooltijd op de De Visserschool bewaar ik heel warme herinneringen. In mijn volgende blog zal ik vertellen waarom aan die tijd een voortijdig einde kwam.

woensdag 10 april 2013

Naar school

Omdat er (nog) geen kleuterschool bij ons in de buurt was en omdat de leerplicht leeftijd vroeger 6 jaar was,  hoefde ik tot die tijd niet naar school. Ik was zelfs al zes en een half toen ik naar de eerste klas ging. Tussentijdse instroming van leerlingen kwam toen maar zelden voor. De meeste kinderen begonnen met hun schoolopleiding bij de aanvang van het eerste schooljaar na de zesde (of bij de kleuterschool na de vierde) verjaardag.

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 10-04-1953
Er was overigens wel een christelijke kleuterschool in het oude centrum van Harderwijk maar dat vonden mijn ouders te ver. Overblijven tussen de middag kon namelijk niet en dat zou dan hebben betekend dat ze me twee maal per dag op de fiets heen en weer zouden moeten brengen. En bovendien werd er bij ons toen ook warm gegeten tussen de middag.
In hetzelfde jaar (1953) waarin ik met mijn lagere school opleiding begon werd in de Stationslaan wel een Nuts-kleuterschool geopend. Dat was een school op openbare grondslag die was gesticht door de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Maar die kleuterschool kwam voor mij te laat.

Leerschool thuis

Ik bleef dus relatief lang thuis maar ik verveelde me nooit. We hadden een grote tuin en het bos onder handbereik. Daar kon ik naar hartelust spelen met mijn broertje en mijn vriendjes uit de buurt. En bovendien had ik niet alleen mijn moeders aandacht maar ook die van mijn oma, de moeder van mijn vader, die bij ons in huis woonde.

Dit "bewijs van schrijfvaardigheid" over bos, dieren en verhaaltjes,
werd jaren bewaard door mijn trotse ouders 
Mijn oma was vroeger in het Fröbel-onderwijs werkzaam geweest. Dat was een vorm van kleuteronderwijs ontwikkeld door de  Duitse pedagoog Fröbel. Hij richtte in 1837 de oudst bekende kleuterschool ter wereld op, speciaal voor kinderen jonger dan zes jaar, die hij bezighield met allerhande zelfbedachte werkjes die hij leerzaam achtte. Vanaf 1840 noemde hij zijn school een Kindergarten, dat daarna een algemeen bekend begrip werd. 
Toen ik een jaar of vier was, werd de oude onderwijzeres in oma wakker en begon ze mij van alles bij te brengen. Op die manier kende ik al het hele "aap, noot, mies" leesplankje en kon ik eenvoudige woordjes schrijven voordat ik naar de echte school ging. Verder had ik al klokkijken geleerd en las mijn moeder me veel voor. En ook kende ik de namen van allerlei bloemen, struiken, bomen, vogels en andere diertjes die bij ons in en om de tuin voorkwamen.


Naar de lagere school

Maar aan het eind van de zomervakantie van 1953 kwam er dan toch een einde aan mijn vrijheid, althans zo voelde ik dat toen. Mijn ouders hadden mij het liefst op een openbare school gedaan maar die was er nog niet bij ons in de buurt.
Men zou uit de krantenverslagen uit die tijd kunnen opmaken, dat bij de stichting van lagere scholen in de nieuwe wijken voorrang werd gegeven aan scholen van protestants-christelijke signatuur.

Er was vanaf het schooljaar 1953/54 wel een mogelijkheid tot het volgen van lessen in het openbaar onderwijs in een ruimte van de SAMOFA motorenfabriek maar de echte openbare lagere school, de Oranje-Nassauschool aan de Deventerweg, werd pas in 1955 in gebruik genomen.
Aan de voorbereiding daarvan heeft onze buurman Barend Daansen nog meegewerkt, als secretaris van de plaatselijke afdeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 05-06-1953
Het werd dus de nieuwe protestants-christelijke Dr. J.TH de Visserschool in de eerste na-oorlogse Harderwijkse nieuwbouwwijk, de Tinnegieter. Ik herinner mij dat het hoofd van die school toen meester Bol was.
De eerste schooldag werd ik door mijn moeder gebracht en ik heb die dag wat afgehuild. Ik had het gevoel dat ik in een gevangenis terecht was gekomen. De klassen waren toen enorm groot, met soms meer dan 50 (!) kinderen, waarvan een flink aantal al twee jaar kleuterschool achter de rug hadden en die dus inmiddels het fenomeen school gewend waren.

Schilder's Nieuws- en advertentieblad 11-11-1955
Mijn eerste onderwijzeres was juffrouw Bakker, een jonge vrouw met een feilloos inzicht in de "tere kinderziel".

Dankzij juffrouw Bakker voelde ik mij al na enkele dagen een heel stuk prettiger dan tijdens die eerste schooldag, toen ik dacht dat het nooit meer goed zou komen...

Helaas moest juffrouw Bakker in 1955 reeds opstappen omdat zij in het huwelijk trad; dat was toen nog de gewoonte!


Volgende week: Mijn klasgenoten van de Dr. J.TH de Visserschool.

woensdag 3 april 2013

Thuiswinkelen was vroeger heel gewoon

In mijn jonge jeugd waren de dichtstbijzijnde winkels in de oude binnenstad van Harderwijk, een afstand van circa 3 kilometer. Vrijwel niemand had in die tijd een auto dus om in de stad te komen moest je in principe lopen of fietsen of je kon met de bus. Maar sjouwen met zware boodschappentassen was niet nodig want vrijwel alle winkeliers kwamen bij ons aan huis.

Iedere werkdag -zes maal per week dus, want de vrije zaterdag bestond nog niet- kwam bakker Kluiver met zijn bakfiets bij ons langs. Hij werd later beroemd als een van de beste broodbakkers van ons land en als hofleverancier. "De Ouderwetse Bakkerij" werd een begrip in Harderwijk.

Schilder's nieuws-en advertentieblad, 01-07-1939; p. 3/4

Ook de melkboer kwam dagelijks langs met paard en wagen. Je kon de melk los kopen per halve liter.Voor boter en margarine hadden we een andere leverancier, Arendsen uit de Mecklenburglaan. Hij kwam een keer per week op een transportfiets met een mand voorop waarin zijn waren zaten.

Schilder's nieuws-en advertentieblad, 06/01/1950; p. 4/8 
Drie of viermaal per week kwam slager Pfrommer, ook al met een transportfiets. Hij kwam dan bestellingen afleveren en nam bij die gelegenheid tevens de bestelling op voor de volgende keer. De oude heer Pfrommer kwam nooit zelf maar het was altijd een van zijn zonen of een knecht die bij ons langs kwam. En dus ook wel eens zijn zoon Leen, die later beroemd werd als coach van de Nederlandse schaatsploegen.
Maar Leen kwam niet vaak want hij wilde eigenlijk geen slager worden, zo staat beschreven in dit uitgebreide NRC-artikel over hem.

De kruidenier, in ons geval het plaatselijke filiaal van Albert Heijn, kwam tweemaal per week. De eerste keer om het ingevulde boodschappenboekje op te halen en een dag later om de bestelling af te leveren en af te rekenen.

Er kwamen bij ons twee groentemannen, Krissel en Klaas van 't Pad. Beiden kwamen tweemaal per week.
Schilder's nieuws-en advertentieblad 21-10-1955
Groenteman W. Krissel uit de Donkerstraat 21 kwam aanvankelijk met een voor-oorlogs vrachtwagentje, waarvan hij bij iedere klant, om benzine te besparen, de motor afzette. Maar omdat de auto van Krissel geen elektrische startmotor had, moest hij hem iedere keer weer aanslingeren; de man moet enorm sterke spieren hebben gehad. Krissel was een wat afstandelijke man en mijn moeder mocht hem niet erg. Maar toch kocht ze wel eens wat bij hem want hij had over het algemeen een wat betere kwaliteit dan zijn concurrent en ook een wat uitgebreider assortiment.

Klaas van 't Pad was een verhaal apart. Hij kwam met paard en wagen en later met een vrachtwagentje. Het was een aardige man die altijd gekleed was in een overall en een alpino petje op zijn hoofd droeg. Hij sprak onvervalst Harderwieks. En hij hanteerde de stuiver (stuver op zijn Harderwieks) als betaal-eenheid.
De conversatie tussen mijn moeder en Klaas ging dan bijvoorbeeld als volgt:
Mijn moeder: "Wat kosten die ster-appeltjes, Klaas?"
Klaas: "Zes stuvers de pond, mevrouw."

Een heldendaad van Klaas van 't Pad in zijn eigen straat
Schilder's nieuws en advertentieblad 1-5-1953
Als het aardbeien seizoen was begonnen kwam Klaas altijd een doosje aanbieden aan mijn oma, die zich volgens mij dan net de koningin voelde, die het eerste  kievitsei in ontvangst nam.
Maar Klaas had ook een zwakte en die zwakte heette jenever. Daar gebruikte hij geregeld te veel van en op dat soort dagen was hij soms moeilijk te verstaan. Zijn trouwe paard kende gelukkig de hele route van Klaas uit het hoofd dus als hij klaar was om naar de volgende klant te gaan, hees hij zich op de bok en mompelde iets dat het paard klaarblijkelijk begreep, want het zette zich in beweging en liep feilloos naar de volgende klant.

Let op de prijzen!
Schilder's nieuws-en advertentieblad 3-12-1954
Hoe Klaas dat later met zijn vrachtwagentje oploste is mij tot op de dag van vandaag een raadsel. Klaas was ook iedere zaterdag met een kraam op de Groentemarkt te vinden, waar hij luidkeels zijn waren aanprees.
(op internet staat een stamboom waarin -waarschijnlijk- deze Klaas van 't Pad is vermeld)

En dan waren er nog de petroleumboer, die eenmaal per week langs kwam en de vishandelaar, die ook eenmaal per week een bezoekje aan onze huizen bracht. Mijn moeder kocht praktisch nooit vis want mijn vader lustte het niet maar mijn oma kocht een enkel keer een gestoomde makreel. Die ontleedde ze en die aten we dan gezamenlijk op, voordat mijn vader thuis kwam want die kon zelfs niet tegen de geur van vis.
Buurvrouw Daansen daarentegen kocht wel bijna iedere week wat bij de visman.

En dan waren er nog de leveranciers die slechts enkele malen per jaar langs kwamen.
Dat was de kolenboer, die in de herfst het kolenhok kwam bijvullen en soms -in een strenge winter- nogmaals een lading antraciet moest komen brengen.
Voorts kwam er enkele malen per jaar een oud krom vrouwtje met een kinderwagen die was gevuld met garen en band, spelden, punaises, plakband, lijm, schoensmeer, kammetjes, nagelvijlen en wat dies meer zei. Die oude vrouw was, volgens mijn moeder, erg arm en ze kocht bij haar dan ook altijd meer dan ze strikt nodig had. En ook als ze niets nodig had kon ze haar niet laten gaan zonder toch iets bij haar te hebben gekocht. Op een zeker moment, ik kan me niet herinneren wanneer, kwam ze niet meer. Ik denk dat arme mensje is doorgegaan tot ze er letterlijk bij is neergevallen.

Vlak na mijn geboorte moest mijn moeder vast aansterken;
vooral omdat toen nog veel op de bon was!
Schilder's nieuws-en advertentieblad, 07-03-1947
Tot slot de apotheker. Ook die kwam aan de deur met een transportfiets om bestelde medicijnen af te leveren.
Uiteraard niet apotheker Denee zelf maar zijn jongste bediende (van Apotheek Greidanus, toendertijd nog gevestigd in de Donkerstraat).




Einde aan het thuiswinkelen

Rond 1960 kwam er langzaam maar zeker een einde aan de thuisbezoeken van onze leveranciers.
In de eerste plaats waren er nieuwbouwwijken aangelegd met winkels, die veel dichterbij waren dan voorheen. Vanaf 1953 waren dat de winkels in de Tinnegieter en eind jaren vijftig kwam daar het eerste winkelcentrum(pje) in de Wittenhage bij.
En in de tweede plaats kregen steeds meer mensen een auto waardoor het veel gemakkelijker werd om ook verder weg boodschappen te doen. Onze eerste auto, een Ford Anglia (met het kenmerkende schuine achterruitje; zie de Harrie Potter films) kwam in januari 1964. Onze buren hadden al vanaf begin jaren vijftig auto's en wij waren dus de laatsten in ons rijtje.

Het grappige is wel dat inmiddels het thuiswinkelen weer helemaal terug is, dankzij het internet.Zelfs Albert Heijn komt nu weer aan de deur en daarmee is weer sprake van een cirkel die rond is...

woensdag 27 maart 2013

Ons buurtje

Ik woonde als kind in een stille omgeving. Er was af en toe wel wat geluid van de kazerne maar de hoeveelheid verkeer op bijvoorbeeld de Leuvenumseweg was zo gering dat het de jonge mensen van nu zou verbazen. Er kwamen overdag per uur twee bussen langs van de Veluwse Autobus Dienst (VAD), een in de  richting van Apeldoorn en een met als eindbestemming de Markt in Harderwijk. Op zondag reden die bussen maar één keer per twee uur. Verder was er af en toe wat militair verkeer en een enkele auto. Op de Boekhorstlaan was het nog rustiger. De straatverlichting van de Boekhorstlaan werkte overigens tot begin jaren vijftig nog met gaslantaarns. Omdat er zo weinig verkeer was kon je de auto's al lang van tevoren horen naderen; je had dan echt nog alle tijd om aan de kant te gaan. Op zondag maakten wij met het gezin vaak een wandelingetje en we liepen dan soms zonder enig probleem midden over de Leuvenumseweg...

Ik duw mijn broertje Paul over de geheel verlaten Leuvenumseweg (ca 1951)


De familie Schothorst 

In de directe omgeving van ons huis woonde een aantal kinderen van onze leeftijd. Zo was er de familie Schothorst die woonde in het eerste huis rechts van de Leuvenumseweg, na de huidige kruising met de Ceintuurbaan. Dat huis staat er nog. Mijnheer Schothorst was officier bij de landmacht. Het echtpaar had zeven kinderen, waarvan de twee oudsten, Wim en Jan, net zo oud waren als mijn broertje en ik. We speelden vaak met hen. Hun huis had, net als het onze, een grote tuin maar binnen spelen was er bij de Schothorsts niet bij. In hun tuin groeiden onder meer frambozen, bramen en kruisbessen, die we mochten opeten als ze rijp waren. Later werd de garage van het huis verbouwd tot paardenstal en de tuin gedeeltelijk veranderd in een buitenbak voor de paarden die ze inmiddels hadden aangeschaft. Ze hadden enkele Arabische volbloed paardjes en voorts een grote Hannoveraan (een ruin) en een Gelderse merrie. Ik heb geregeld op die paarden mogen rijden en ben ook wel eens mee geweest met de paarden naar het bos. En ik heb de Hannoveraan een keer gevangen en teruggebracht toen die de benen had genomen tijdens het optuigen. Ik was er op mijn fietsje achteraan gegaan en vond hem terug aan het eind van de Strokelweg. Gelukkig had hij zijn hoofdstel al om dus ik kon hem daarbij vastpakken en heb hem toen terug laten lopen.

Links staat Wim Schothorst met het paard Jackie en ik zit hoog te paard in onze tuin


De familie Bense

Een ander huis waar we wel kwamen was dat van de familie Bense. Het was een groot huis, dat stond op de plek waar nu de kruising is van de Leuvenumseweg en de Ceintuurbaan. Zij hadden drie kinderen, waarvan de ouste, Anne-Jule, ongeveer van mijn leeftijd was en de tweede, Hein, ongeveer net zo oud was als mijn broer. Mijnheer Bense deed iets geheimzinnigs. Later ben ik er achter gekomen dat hij leraar Russisch was aan de SMID, de School Militaire Inlichtingen Dienst, die tot 1988 gevestigd was in de Oranje-Nassaukazerne. Daar werden spionnen opgeleid; daarom stond de SMID in Harderwijk ook wel bekend als de Sectie Stiekem of de SpionnenschoolVeel later heb ik door een speling van het lot nog diverse ontmoetingen gehad met een oud leerling van de SMID. Die had geen geluk gehad met zijn spionage activiteiten en daardoor een aantal jaren in een sovjet gevangenis doorgebracht. Hij was, toen ik hem ontmoette, taxichauffeur in Amsterdam.


De familie Dooyeweerd

Verderop, op de Boekhorstlaan woonde de familie Dooyeweerd. Ik was bevriend met hun jongste zoon, Gijs, die bij mij in de klas zat op de lagere school. Mijnheer Dooyeweerd had een timmerwerkplaats met een eigen houtzagerij, waar we af en toe de werkzaamheden mochten volgen. Ik was vooral geïmponeerd door de enorme lintzaag-machines en het geweldige geluid dat die apparaten voortbrachten. En ik was verbaasd dat mevrouw Dooyeweerd haar eigen man vaak aansprak bij zijn achternaam. Zij waren de enige mensen die ik kende waar dat gebeurde. Verder werd er altijd erg hard gesproken want mijnheer Dooyeweerd was, waarschijnlijk als gevolg van zijn lawaaiige werkomgeving, hardhorend geworden.


De familie Van Goor

Aan het eind van een onverhard zijpaadje van de Boekhorstlaan was nog een klein boerderijtje, dat rond 1960 moest worden gesloopt ten behoeve van de aanleg van de A28. Daar woonde de familie Van Goor. Mijnheer Van Goor kwam iedere zaterdag bij ons de schillen ophalen die hij vervolgens aan zijn varken en zijn kippen voerde. Mevrouw Van Goor werkte een dag per week bij mijn moeder. Dat was op woensdag en hun dochtertje kwam dan altijd bij ons spelen op de vrije woensdagmiddag. Mijn broer en ik liepen een keer in de week naar de familie Van Goor om daar eieren te kopen. Terug liepen we dan, met de tas tussen ons in, heel voorzichtig terug om breuk te voorkomen.

De familie Den Herder

Aan de Leuvenumseweg (tegenwoordig de Eekhoornlaan) stond het huis van de familie Den Herder. Met de kinderen uit het gezin Den Herder had ik weinig contact. In een later stadium, ik praat dan over midden jaren zestig was ik wel een tijdje bevriend met hun jongste zoon, Wim, die helaas veel te jong is gestorven.


De Boekhorst


En dan was er nog het grote landhuis "De Boekhorst" dat momenteel aan de Eekhoornlaan ligt. Ik vraag mij af, terwijl ik dit schrijf, of het oude huis nog bestaat. In mijn jongste jeugd werd het huis bewoond door de oud-burgemeester van Harderwijk, Jan de Jong Saakes. Het was een vriendelijke oude heer die altijd een praatje met ons maakte als we hem tegen kwamen. Hij had een klein baardje en droeg bijna altijd een groene hoed met een veertje van een Vlaamse gaai. Hij was van 1928 tot 1941 burgemeester van Harderwijk en werd in dat jaar vervangen door de Duits-gezinde burgemeester Vos.Later kwam in dat huis de familie Westerhuis wonen. Mijnheer Westerhuis was rector van het lyceum en zijn vrouw werkte daar als lerares. Verder zat mijnheer Westerhuis in het bestuur van de Stichting Openbaar Kunstbezit. De familie Westerhuis had drie kinderen waarvan de jongste, Ruth, van mijn leeftijd was. In mijn middelbare schooltijd heb ik haar een keer meegevraagd naar een klasse avond en na afloop daarvan kreeg ik van haar mijn eerste zoen...

De WGF kazerne

Op de WGF kazerne woonde het gezin van de kazerne-commandant. In mijn lagere schooltijd was dat de familie Couzy en later de familie Heimel. Beide families hadden een zoon van mijn leeftijd, Jean Couzy en Jan-Hein Heimel en met beide jongens had ik wel geregeld contact maar toch iets minder dan met de kinderen van buiten de kazerne-muren (op internet vond ik informatie over wat er van Jan Hein is geworden; in de informatie over Jean Couzy Sr. stond ook hun Harderwijkse adres vermeld).

Maar de kazerne had nog wel iets anders voor ons in petto.

In het begin van de jaren vijftig verschenen de eerste televisietoestellen en al snel was er op woensdagmiddag een kinderprogramma. Niemand bij ons in de buurt had toen televisie maar al rond 1954 of '55 werd er een toestel geïnstalleerd in de onderofficiersmess van de WGF kazerne. Daar mochten alle kinderen uit ons buurtje op woensdagmiddag, onder begeleiding van een of meerdere moeders naar het kinderprogramma komen kijken. En soms kregen we als we daar waren een roze koek...

woensdag 20 maart 2013

Ons huis in het Leuvenumse bos II


Mijn ouderlijk huis leek op een romantische Engelse cottage en lag op een bebost stuk grond van ongeveer 2.800 vierkante meter  dat grensde aan het terrein van de Willem George Frederik kazerne, in Harderwijk beter bekend als de WGF.
Afgezien van de ligging op die fantastische plek in het bos, had ons houten huis voor- en nadelen. Tot de voordelen behoorden de ruime kamers en de grote hal en lange gang, waarin we bij slecht weer konden spelen. Een ander voordeel was dat alle kamers op de begane grond waren. Het belangrijkste nadeel was dat ons huis bijzonder slecht was geïsoleerd. Het was er in de zomer vaak gloeiend heet en in de winter ijzig koud. Er was geen centrale verwarming en het kwam geregeld voor dat er aan de binnenkant van onze slaapkamers ijsbloemen op de ramen stonden. Zelfs de luiken aan de buitenkant konden dat niet verhinderen.


Ontstaan van het huis

Het houten  gebouw waarin ons huis was gevestigd, was in 1939 opgetrokken als tijdelijke directiekeet en uitvoeringskantoor voor de bouw van de kazerne met de bedoeling om het, na voltooiing van de kazerne, te slopen. 
Dat liep anders want op het moment van de Duitse inval, in mei 1940, was de kazerne pas gedeeltelijk voltooid. De bouw lag aanvankelijk stil maar werd na enige tijd door de Duitsers hervat . Zij bouwden de WGF kazerne uiteindelijk af.
Na de oorlog stond het houten directiegebouw er nog steeds en toen werd door Defensie besloten om de ruimte te benutten voor een drietal woningen ten behoeve van burgerstafmedewerkers van de Dienst der Genie. Zo  kon men een kleine bijdrage leveren aan de enorme behoefte aan woonruimte,  die meteen na de oorlog ontstond. 
Het was de bedoeling dat de woningen slechts gedurende een beperkte tijd zouden blijven bestaan want de levensduur van het gebouw werd geschat op zeker niet meer dan 25 jaar.
Mijn vader heeft er uiteindelijk 61 jaar gewoond en het gebouw staat in 2013 (inmiddels dus 74 jaar oud)  nog steeds overeind en wordt nog steeds bewoond …..Maar ook dit gebouw is niet gemaakt voor de eeuwigheid. Toen het eigendom overging in handen van het opleidingsinstituut voor de wegenbouw (SOMA), dat nu is gevestigd op het terrein van de voormalige WGF kazerne, werden afspraken gemaakt met de bewoners. Die kwamen er op neer dat degenen die er toen woonden, hun woning voor onbepaalde tijd mochten aanhouden. Maar als de laatste oorspronkelijke bewoonster is vertrokken, staat het gebouw op de nominatie om te worden gesloopt.


Bewoningsgeschiedenis van het huis

Gezien vanaf de ingang van het terrein woonden wij  in de eerste woning op Leuvenumseweg 1 (voorheen Boekhorstlaan 20-I; zie mijn vorige blog).
Mijn  ouders zijn daar, meteen na hun huwelijk, in december 1945 gaan wonen. De moeder van mijn vader trok bij hen in en heeft er tot 1966 gewoond. Na mijn geboorte (1947)  en die van mijn broertje, Paul (1949) woonden wij er met zijn vijven.

Op deze foto uit ca 1949 is ons huis nog bruin, later zou het wit worden geverfd
Hier zit ik te midden van mijn Amsterdamse tweeling nichtjes Marja en Marjolein. 
















Hier sta ik voor het hek tussen tuin en toegangspad naar ons huis (ca 1950)














In de overige twee woningen, Leuvenumseweg 3 en 5, woonden achtereenvolgens de volgende gezinnen :
Aanvankelijk werd het middelste huis  bewoond  door een, naar verluidt,  vrij asociaal gezin, waarvan ik de naam niet weet en waarvan ik me ook niets kan herinneren; zij vertrokken reeds in mijn geboortejaar, 1947, naar elders.
De familie De Bruin (oom Cor, tante Ankie en hun zoon  Dikkie, die een half jaar jonger was dan ik) woonden  van 1946 tot 1955 in de achterste woning . Zij zijn in 1955 verhuisd naar Apeldoorn.
De familie Geursen (oom Thijs, tante Geert, Jolien en Hetty) woonden  van 1947 tot 1951 in het middelste huis. In 1951 zijn zij verhuisd naar Noordwijk en later naar Maassluis.
De familie Daansen (oom Barend, tante Willy, Conny, Jacqueline en Pieter)woonden  vanaf 1951 in de  middelste woning  en vanaf 1955 in het (ruimere) achterste huis. Tante Willy heeft daar tot haar overlijden  in december 2005 gewoond.
De familie Hieter (oom Joop en tante Ank) woonden van 1955 tot 1957 in de middelste woning. In 1957 verhuisden zij naar Breda.
De familie Biesheuvel (oom Harrie, tante Iet, Marguerite, Dick en Anette) bewoonden  vanaf 1957 het middelste huis. Tante Iet woont er nog steeds in 2013.

Van links naar rechts voor ons inmiddels witgeschilderde huis (ca 1960):
In de deuropening: mijn moeder Ina Offerman-Weenink en buurvrouw Willy Daansen-Becu
Op de voorgrond: Pieter, Jacquelien en Connie Daansen en Marguerite Biesheuvel.







Een van mijn eerste zelfgemaakte foto's uit ca 1960:
 Buurman Barend Daansen met een kruiwagen vol kinderen:
 onderop Connie, in het midden Jacquelien en bovenop Pieter Daansen.


Opgroeien met de buren

Gedurende een aantal jaren woonden er in onze drie woningen in totaal 15 mensen. Maar vaak was het er nog veel drukker want onze huizen en het bos eromheen oefenden een grote aantrekkingskracht uit op schoolvriendjes en vriendinnetjes. De grote gemeenschappelijke tuin en de omgeving boden legio speelmogelijkheden. In de tuin waren een paar schommels en een rekstok en achterin stond zelfs een tijdje een oude auto zonder motor waarin wij konden spelen (voor de liefhebbers: een in Tsechoslowakije gebouwde Aero Minor stationcar met triplex zijpanelen).

Midden jaren vijftig werd een deel van de bomen in de tuin gekapt om plaats te maken voor een gazon. Dat gaf een ruimtelijker effect en er kwam meer licht in huis.

Het huis Leuvenumseweg 1-3-5 in de winter van 2012 (foto van Geeske Verhoeve)